Goed volk | Geschiedenis van de bestudering van de volkscultuur

Onder de bovenstaande, nogal plechtige titel wil ik enkele columns wijden aan de wetenschappelijke bestudering van volkscultuur. Het is niet de bedoeling al te diep te gaan. Dat is ook niet nodig, want in tegenstelling tot eerbiedwaardig oude disciplines als wiskunde en astronomie, is de bestudering van de volkscultuur een jonge loot aan de wetenschappelijk tak, een loot die eigenlijk pas in de tweede helft van de vorige eeuw tot wasdom is gekomen.

Die wording ging gepaard met het bekende vallen en opstaan, waarbij fouten werden gemaakt waar wij nog steeds last van hebben, en dat is op zich materie die spannend genoeg is. Ik ken wetenschappers wier dag je grondig kunt verknallen door in dit verband de term ‘Germanen’ te laten vallen, om van ‘Romeinen’ maar niet te spreken.

Om maar met het droogste te beginnen: de terminologie. Er zijn diverse termen die gelinkt worden aan volkscultuur, soms terecht en soms niet terecht, en de invulling van de disciplines is sinds het begin van deze eeuw enigszins veranderd. Dus eerst een beetje orde in de chaos scheppen. Ik ga niet op het begrip ‘volkscultuur’ zelf in; wat hieronder kan worden verstaan blijkt uit de geschiedenis van het fenomeen.

Enkele begrippen

Ik ga uit van twee begrippenparen: volkenkunde en etnologie enerzijds en volkskunde en folklore anderzijds. De eerste twee begrippen zijn van cultuur-antropologische aard. Etnologie kun je definiëren als “de bestudering van breed gedragen cultuurverschijnselen in hun historische, sociale en geografische dimensie, waarbij ze deze dimensies opvat als dynamische, groepsgebonden processen van betekenisgeving en toeëigening”. Volkenkunde behelst zo goed als hetzelfde (“de wetenschap die het sociale gedrag, de economische structuur en de religie van volken en bevolkingsgroepen bestudeert”), maar is inmiddels een wat verouderde term die je vooral bij de naamgevingen van musea tegenkomt, zoals het vermaarde Volkenkundig Museum in Leiden.

De bijna gelijkluidende term volkskunde is academisch gezien inmiddels ook wat verouderd en kan gezien worden als etnologie in engere zin. Met spreekt sinds 1998 van Europese of Nederlandse Etnologie. Het doel van deze discipline is om inzicht te krijgen in het leven van alledag en de daarmee samenhangende cultuurverschijnselen.

Deze wetenschap wordt in Nederland hoofdzakelijk gepraktiseerd aan het Meertens Instituut in Amsterdam.
Wie nu van mening is dat de bestudering van de volkscultuur zichzelf de laatste twintig jaar opnieuw heeft uitgevonden en dat alles nu valt onder het kopje ‘culturele antropologie,’ heeft het begrepen.

Folklore

De meest tricky term van de vier is folklore en niet alleen omdat dit begrip in de loop der tijd een overdrachtelijke betekenis heeft gekregen die niet bepaald positief is. Probleem is ook dat niet iedereen er hetzelfde onder verstaat.

We kunnen wellicht het beste uitgaan van de etymologie van de term. Het is een samengesteld Engels woord dat ik persoonlijk graag spel met een verbindingsstreepje: folk-lore. Met folk wordt (uiteraard) het ‘gewone volk’ bedoeld en lore kan vertaald worden met ‘overlevering’, dus ‘de overlevering van de cultuur van het volk’. Hier stuiten we op één van de problemen waar de bestudering van de volkscultuur mee kampt en dat ze deelt met bijvoorbeeld de oudheidkunde, namelijk het gebrek aan bronnen, met name schriftelijke.

De beoefenaren van het vak zijn georganiseerd in SIEF, the International Society for Ethnology and Folklore, in Amsterdam. Wie folklore wil studeren, kan bijvoorbeeld terecht aan de universiteit van Cork, Ierland.

De ontdekking van het volk

Ik ga bij de geschiedenis van de bestudering van de volkscultuur gemakshalve uit van de traditionele tweedeling ‘volkscultuur versus elitecultuur’. Later kwam men er achter dat het zo simpel niet ligt, maar dat is stof voor een andere column. Verder beperk ik mij vanuit praktisch oogpunt tot de volkscultuur van West-Europa vanaf de Middeleeuwen.

In de Middeleeuwen was het verschil tussen volkscultuur en elitecultuur klein. De elite nam op zijn eigen manier deel aan de cultuur van het volk. Dit varieerde van totale onderdompeling (carnaval) tot afstandelijke observatie. Na de Middeleeuwen ontwikkelde de elite steeds meer een eigen, verfijnde cultuur en aan het einde van de achttiende eeuw was de breuk nagenoeg compleet.

De Duitse romantische filosoof J.G. Herder

De rationalisering was dankzij de Verlichting intussen zo ver voortgeschreden dat een reactie volgde. De vroeg-Romantiek en de ‘Sturm und Drang’ begonnen gestalte te krijgen, met Duitsland voorop. Er ontstonden termen als Volkslieder (J.G. Herder), Volksmärchen, Volkssage, Volksspiel en Volksbuch. In Engeland deed in 1846 de term folklore zijn intrede. Kortom, ‘het Volk’ was herontdekt.

De eenvoudige boer kreeg het stempel van de ‘edele wilde’. De invloed van Herder en de bekende broertjes Grimm was enorm, ook in het buitenland. De dichter Ludwig Tieck, die met het volksboek dweepte, vervaardigde eigen versies van twee ervan, de Vier Heemskinderen en De schone Magelone. Chateaubriand behandelde in zijn Génie du christianisme (1802) onder meer de dévotions populaires, de officieuze religie van het volk die hij beschouwde als een uitdrukking van de harmonie tussen volk, natuur en godsdienst. Ook de volksmuziek werd ontdekt en met eenzelfde enthousiasme ontfermde men zich over de muziek van het volk: zo bewerkte de klassieke componist Joseph Haydn (1732-1809) een paar honderd (!) Schotse volksliederen.

Er waren drie oorzaken van de herontdekking van de volkscultuur:

  1. de verfijnde kunst van de elite werd op een gegeven moment als te gepolijst, te artificieel ervaren;
  2. de regels van het classicisme ten aanzien van bijvoorbeeld het toneelspel (eenheid van tijd, plaats en handeling) werden als benauwend en beperkend ervaren;
  3. de vruchten van de Verlichting waren en veel landen zoals Duitsland en Spanje weinig geliefd aangezien ze uit het buitenland (Frankrijk, Voltaire) kwamen. Deze gedachte sloot naadloos aan bij het opkomend nationalisme.

Wat zich feitelijke afspeelde was dat de elite niet alleen de schat der volkscultuur voor vergetelheid behoedde, maar er ook mee aan de haal ging, in zekere zin een herstelling van de situatie in de late Middeleeuwen en de Renaissance toen de elite zich op hun eigen manier over de volkscultuur ontfermde.

De gevestigde kunstenaars van de elite begonnen de volkscultuur te verfijnen en naar hun hand te zetten. Oude gebruiken werden opnieuw ingevoerd (het carnaval van Keulen in 1832 bijvoorbeeld) waarbij over het hoofd werd gezien dat de volkscultuur van de Middeleeuwen tot de negentiende eeuw niet onveranderd was gebleven.

Niet door moderne onderzoeksmethoden gehinderd werden oude gebruiken en riten wel erg gemakkelijk toegeschreven aan de Germanen, Kelten en Romeinen. Met wetenschap in de huidige betekenis van het woord had het allemaal weinig te maken. Niet voor niets heeft het handboek van Ton Dekker De Nederlandse volkskunde (2002) als ondertitel: De verwetenschappelijking van een emotionele belangstelling. Daarover een volgende keer.

  1. 1

    Mooi, mooi, mooi.

    De Duitse Herder komt er wat magertjes af. Want juist het beschrijven van de cultuur was eigenlijk het enige wat de Duitsers verenigde tot 1870. O ja, de douane unie misschien nog.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

| Registreren