Geen bal op tv | Dichter bij Remco Campert

COLUMN - ‘Schrijven is leven’, zegt Remco Campert aan het begin van de documentaire ‘Verloop van jaren – dichter bij Remco Campert’. ‘Als ik daarmee ophoud, ben ik er niet meer.’ Alsof het niet andersom is.

‘Die jongen heeft niets of niemand nodig’, had de dichter J.C. Bloem ooit tegen de moeder van Campert gezegd. Bloem had een tijdje naar de jonge Campert staan kijken terwijl die op de tram stond te wachten. Het was nog steeds waar, meende Deborah, Camperts vrouw. Maar dat viel te betwijfelen: ik kreeg sterk de indruk dat het leven op z’n minst een stuk leuker was met zijn vrouw aan zijn zijde. Ik denk zelfs dat ze onmisbaar is.

Ze tikt zijn columns over op de computer. Als ze klaar is, blaast ze op een toeter. In het begin van de documentaire komt Remco Campert dan de trap op strompelen. Aan het eind van de documentaire heeft hij een liftje. Zo’n liftje dat tergend traag langs de trapleuning omhoog glijdt. Als hij wordt opgenomen in het ziekenhuis gooit ze alle asbakken weg. Behalve één asbak, die ze van een dierbare vriendin hebben gekregen. Een paar dagen later, Campert is inmiddels thuis, liggen in die ene asbak weer sigaretten te smeulen.

Ze scrabbelen. En houden de stand bij op een kladblok. Zij staat iets van 72 potjes voor. Remco Campert noteert het met een pen die het uiteinde heeft van een bloem. ‘Wil je me kennen, dan moet je mijn gedichten lezen’, had hij ooit tegen zijn 13-jarige dochter gezegd. Die kon daar toen niks mee. Iedereen had immers toegang tot die gedichten. Ze komen langs, de gedichten. Camperts geheim zit ‘m in het besef dat het leven tragisch is en tegelijkertijd in staat te zijn dat leven te omarmen. ‘Ik geloof dat iedereen eenzaam is / gevangen in deze kou die uit de grond komt’, schreef hij. Maar ook, nota bene in een gedicht over de dood van de moeder van zijn kinderen: ‘Zelfs de fietser / die mij op een haar na aanrijdt / wens ik veel geluk’. Hij heeft dan ook een onmiskenbaar talent: ‘Ik geniet van het leven / hoef me er niet eens / aan vast te klampen / gaat vanzelf’.

In de film zien we Remco Campert naar het nieuws kijken over de aanslag in Zaventem. Het is het woordje oorlog dat hem steeds weer terugwerpt naar zijn eigen oorlog. Zijn vader, de dichter Jan Campert, was in 1943 door de Duitsers in Neuengamme vermoord. Na de oorlog maakte de 17-jarige Remco een reis naar Praag, door Duitsland. ‘Je had wrok tegen de Duitsers’, zegt hij. ‘Mijn vader was door hun toedoen overleden. Maar als je ze dan ontmoet, met ze praat, dan verdwijnt de wrok een beetje. Totaal zelfs.’ Het doet toch goed, in een week als deze, dat te horen van een oude man.

‘Eigenlijk zit de dood je het hele leven op de hielen’, zegt Campert aan het eind van de documentaire. De dood zit de schrijver inderdaad op de hielen, maar lijkt zich niet te haasten. De dood hobbelt achter het oude mannetje aan, dat kromgetrokken door de straten van Amsterdam schuifelt. Of de dagelijkse gang naar de schrijfmachine maakt, waar zijn stramme vingers keer op keer vederlichte zinnen tikken. Het oude mannetje weet dat de dood naast hem loopt, maar het doet hem weinig. De dood is niets. En de oude man weigert bang te zijn voor niets. Misschien neemt de dood daarom de tijd. Die kijkt vertederd toe terwijl de oude man nog een sigaretje opsteekt of een tekening maakt. En als de geliefde van de oude man erbij komt, dan doet de dood heel discreet een paar stapjes terug en laat hij haar hartelijk lachen om zijn broze spot.