Geef ‘literatuurprofs’ in het onderwijs de ruimte

booksEind maart van dit jaar verscheen het Handboek Literatuuronderwijs 2009-2010, naar aanleiding van de Dag van het Literatuuronderwijs in november 2008. Op deze dag werden door leraren, schrijvers en anderen gediscussieerd en vragen gesteld als: Hoeveel zinvolle manieren van vertellen over literatuur zijn er eigenlijk? Vertellen nieuwe media ook een literair verhaal en is dit verhaal anders per medium? ‘Leest’ een film anders dan een boek en waarom?

Veel docenten gaan op een goede manier met literatuuronderwijs om. Er zijn ook scholen waar het minder goed gaat. Soms staan twee typen docenten tegenover elkaar: de vakgek en de vluchter. De één staart zich blind op de heiligverklaring van de vaderlandse letteren, de ander raffelt literatuur af met opdrachten uit een weinig creatieve lesmethode die door een educatieve uitgeverij is opgesteld. Niet iedere taaldocent is enthousiast over literatuur. Dat geeft niet, zolang elk docententeam maar een ‘literatuurprofessional’ in dienst heeft, die desnoods alleen het ‘taaloverstijgende’ vak Literatuur zou mogen geven.

Stoommachine
‘Mediapedagoog’ Daniël Lechner nam vorig jaar op de opiniepagina van de Volkskrant stelling over literatuuronderwijs in zijn artikel Literatuur niet meer van deze tijd. ‘Literatuur is best een aardige expressievorm, maar ondertussen wél een relikwie van vervlogen tijden geworden.’

Dat is niet waar. Lechner verwart naar mijn inzicht het verschijnsel literatuur met het fysieke boek. Literatuur zal altijd bestaan, maar zal in de toekomst ongetwijfeld andere vormen aannemen. En dan nog. Het boek als “papier met letters en een kaft erom” stamt weliswaar uit de tijd van voor de stoommachine, maar wie een AKO binnenloopt ziet niets dan kassuccessen die ons toeschreeuwen vanaf de boekentafel. En de e-reader verkoopt nauwelijks in Nederland.

Hobby van de letterenhijgers

De bewering dat literatuur ‘dood’ zou zijn, is onzin. Het is zelfs van groot belang. Maar op sommige scholen is literatuuronderwijs gedegradeerd. De ergste vorm van degradatie is de hobby van de letterenhijgers die hun vingers gretig porren in de vochtplekken van oude reuzen. Ze noemen zichzelf inspirerende docenten, maar in de praktijk betekent dat een druipsnor die blijft ouwehoeren over de taalkunst van Multatuli. Het andere uiterste lijkt weliswaar sympathiek, maar is eveneens weinig zinvol: de docent die lukraak vertederd raakt van een verwerkingsopdracht voor het ‘fictiedossier’ (bijvoorbeeld een tekening naar aanleiding van een boek van Carry Slee). Beide docenten zijn geen literatuurprofessional.

Vier jaar geleden schreef Cyrille Offermans de apocalyptische woorden in NRC Handelsblad: ‘Computers te over, bibliotheken verstoffen in hoog tempo. Op de meeste scholen heerst een anti-intellectualistisch klimaat, de leescultuur is er de facto afgeschaft. Het probleem is niet zozeer dat het gros van de leerlingen liever Giphart leest dan W.F. Hermans, het probleem is dat ze liever helemaal niets lezen.’

Alleen het feit al dat Offermans het lezen van Giphart vol dédain categoriseert als een mogelijk ‘probleem’, getuigt van ongefundeerde woede én onkunde. Die woede en onkunde zie je vaak bij vakgekken van de oude stempel. Ligt een afname van interesse voor lezen aan de leerlingen? Helemaal niet. De verkoopcijfers van Harry Potter en Carry Slee liegen niet.

Offermans heeft in zijn artikel gelijk als hij zegt dat het invoeren van een literaire ‘canon’ ridicuul is, als daar boeken op staan waarvan een groot deel van de literatuurdocenten nog nooit gehoord heeft. Maar het is een wel heel erg bekrompen idee dat literatuuronderwijs alleen zou moeten gaan om Nederlandse literatuur. Oké, misschien is het ook wel typisch Nederlands van mij om ons nationale trots weg te cijferen, maar weinig docenten breken een lans voor een internationaal georiënteerde, modernistische blik op literatuur. Het is vreemd dat als een vwo-leerling geen Frans heeft, vaak ook niets te weten komt over Sartre en Camus. Terwijl zijn docent Nederlands zo hoog opgeeft over het belang van literatuuronderwijs. Helaas beperkt die zich tot een klein gebied. Bij de term ‘verplichte leeslijst’ ben ik altijd op mijn hoede. Maar docenten lijken er dol op, getuige dit (verouderde) resultaat van een enquête uit 2002:

 een enquête naar de canon onder de leden van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (2002) Bron: DBNL

een enquête naar de canon onder de leden van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (2002) Bron: DBNL

Een belangrijke vraag zien we vaak over hoofd: wat vinden de leerlingen er nou eigenlijk zélf van? Er is veel onderzoek gedaan naar literatuuronderwijs. Op de site van de Nederlandse Taalunie staat een tekst over een onderzoek dat gedaan is gedurende de periode 1997-2002: ‘Docenten die de meeste problemen hebben, werken ongeveer op dezelfde manier met het leesdossier en hebben ook dezelfde doelstelling. De nadruk ligt bij hen op tekstbestudering. Het leesdossier werkt niet als het wordt gebruikt als controlemiddel bij het traditionele, cognitieve, reproductieve en op tekstbestudering gerichte literatuuronderwijs. Het leesdossier werkt wel en goed als het wordt gebruikt als een hulpmiddel bij een vorm van literatuuronderwijs waarin aandacht is voor tekstervaringsprocedures en ruimte voor verschillende leerlingen met hun individuele voorkeuren en leerstijlen.’

Ga aan de slag!

Docenten op middelbare scholen nemen veel te weinig tijd en ruimte om hun literatuuronderwijs in het curriculum regelmatig aan te passen. Het nemen van de tijd en ruimte is één, het krijgen is een tweede, getuige de toename van werkdruk. Er ligt dus ook een taak voor de beleidsmakers, directie, het bestuur. Docenten moeten naar elkaars talenten kijken. Je moet niet verwachten van een docent Nederlands dat hij alles kan: leerlingen goede zakelijke brieven laten schrijven, én die leerling foutloze interpunctie aanleren, én leren argumenteren, én nog een mondje meepraten over literatuur. Dan krijg je van alles een verdund beetje. Mijn advies: kies één docent in het team die zich opwerpt als de literatuurprofessional.

Laat hem of haar de leerlingen kennismaken met een wereldse aanpak van literatuur. Onzin om te denken dat de leerling, ook die van het vmbo, dat ‘niet aankan’. Geef de literatuurprofessional alle gereedschappen om de leerling te prikkelen, zodat die uiteindelijk een begenadigd lezer kan worden met een persoonlijke smaak en voorkeur voor boeken van over de hele wereld. Niet alleen Nederlandse, maar ook Europese en bijvoorbeeld Amerikaanse en Aziatische literatuur. Zo breek je de bekrompen wereld van ‘leeslijstlikkers’ open en heb je ook niet meer het smoesje dat leerlingen ‘toch maar alles van internet plukken’.

En daarvoor hoeft helemaal niets ingewikkelds voor te gebeuren. Kijk je naar de eindtermen van het ministerie van OCW, dan past de literatuurprofessional daar prima tussen. Er hoeft niets omzeild te worden of drastisch aangepast te worden. Ga aan de slag! De ware prof abonneert zich op literaire tijdschriften, struint YouTube af naar interviews met auteurs, nodigt schrijvers uit en gaat in debat met zijn leerlingen over trends in de literatuur. Het vervolgonderwijs zal springen om jonge intellectuelen.

Kies je er niet duidelijk voor om literatuuronderwijs te professionaliseren, dan loop je de kans dat ofwel populisme het literatuuronderwijs zal dicteren, ofwel dat het zal verzanden in een a-dynamisch mausoleum.

  1. 1

    een leerling van het VMBO (met name die van zwarte scholen ) kan nauwelijks lezen en schrijven ( dat moet op het MBO allemaal bijgespijkerd worden, weet ik uit mijn omgeving )laat staat literatuur lezen cq begrijpen. Dan zou je moet beginnen om leesvaardigheden bij te brengen…

    En aangezien +- 60 % van de jeugd naar het VMBO gaat…
    Daarnaast wat heeft een vmbo’er(geen disrespect..) aan literatuur.De toekomstige bouwvakker,kok, verkoper etc moet bijvoorbeeld een bouwtekening of recept kunnen’lezen’ geen hoogdravende 19e eeuwse literatuur..

  2. 2

    Lezen leer je door doen, de vloek van het VMBO is juist dat leesonderwijs wordt gezien als iets technisch, een kwestie van ‘competenties’, in plaats van een vaardigheid die slechts door veel praktijk wordt verworven.
    Juist de nadruk in het VMBO op recepten en bouwtekeningen in plaats van goede jeugdliteratuur (en die is er plenty) doet taalzwakke leerlingen taalzwak blijven. In VMBO’s wordt trouwens heel veel gelezen door leerlingen, het is alleen niet wat veel leraren zouden *willen* dat leerlingen lezen.
    Er zou al heel veel gewonnen zijn als scholen leerlingen twee uur per week gewoon strips lieten lezen. Onderzoek na onderzoek bevestigt dit. Plezier in lezen maakt voor leesplezier later in het leven.
    Ik ben zelf trouwens heel huiverig voor literatuur- en taalonderwijs van elkaar loskoppelen – maar dat is weer een andere discussie.
    En wie zegt dat leesplezier niets is voor de onderklasse moet zijn mond uitspoelen en daarna Rose’s ‘Intellectual Life of the British Working Classes’ lezen.

  3. 3

    Literatuur hoort helemaal niet in het onderwijs.

    Leren waarnemen, interpreteren en begrijpen wel. En daar kan literatuur een rol in spelen. Literatuur = commercieel uitgegeven boek, dus literatuuronderwijs is niets anders dan reclame voor de uitgeversbranche. Niks tegen reclame, maar niet als verplichte lesstof.

  4. 5

    Literatuuronderwijs moet een mix zijn. Van boeken dichtbij de leerling tot boeken veraf, buiten hem/haar. Wedstrijd maken. Hoever af kan een boek zijn… Chinese verhalen uit de 10e eeuw…. TOCH boeiend!