Formeren per stembiljet?

Naar verwachting zal de kabinetsformatie na 12 september geen eenvoudige klus worden. Die redenering wordt veelal gebaseerd op de zetelverdeling. Er is nooit één partij zo groot dat die alleen kan regeren. En verschillende combinaties van partijen leveren de laatste tijd maar zeer moeizaam een meerderheid in de Kamer op.

In de volksmond heet het dikwijls dat het volk de regering krijgt die het verdient. Een gezegde dat wordt gebruikt als het volk klaagt over haar wat onwelgevallige zaken, die de regering door de strot duwt. Men heeft in het stemhokje  immers zelf de regeringspartijen in het zadel geholpen.

Klopt dat gezegde wel? Nee, want formeel kiezen we de regering niet. We kennen geen (minister-)presidentverkiezingen. Ministers en staatssecretarissen worden benoemd. Door de koningin, die ook al ongekozen aan de macht is.

Maar met die benoemde macht wordt redelijk zorgvuldig omgegaan. De partijen die de meeste stemmen haalden, mogen doorgaans bij Hare Majesteit aanschuiven om het land te regeren. Vanaf de eerste verkiezingen na 1945 waren er 11 kabinetten die op een redelijke coalitiemeerderheid konden rekenen. Het gezegde klopt dus?

Als we het politieke spectrum grofweg verdelen in christelijk, “links” en liberaal, dan hebben we 5x een christelijk/links kabinet gehad, 3x een christelijk, liberaal/links kabinet, 2x een links/liberaal kabinet en 1x een christelijk/liberaal kabinet. En dat was alle keren conform het spectrum dat de verkiezingsuitslag bood. Je kunt het nazien in dit exceldocument.

Negen keer is dat dus anders gelopen. Dat is vrij veel voor een land dat geen bananenrepubliek heet te zijn. Die negen keer kwam er een christelijk/liberaal kabinet aan de macht. Dat had 8x een christelijk/links kabinet moeten zijn en 1x een links/liberaal kabinet. Althans, op grond van het groffe politieke spectrum waar de verkiezingsuitslagen op wezen.

Maar liefst 7 van die 9x leunden de coalities op de kleinste meerderheden in de Kamer. Maar doorgaans was het genoeg om zonder al te veel brokken te kunnen regeren.

Twee keer was het echter desastreus. Het kabinet Balkenende I was van christelijk/liberale signatuur. Op grond van de verkiezingsuitslag had het een christelijk/links/liberaal kabinet moeten zijn. De rechts-liberale coalitiepartner LPF bleek echter van zodanige rommel, dat het kabinet snel viel.

De tweede keer hebben we net achter de kiezen: het kabinet Rutte. Christelijk/liberale signatuur, in tegenstelling tot  het links/liberale waar de stemuitslag op wees. Ook hier kostte een onbetrouwbare partner het kabinet de kop.

Dat het bij de opkomst van de LPF en de PVV niet tot een kabinet conform de stembusuitslag leidde, mag reëel worden genoemd, gezien de grote verschillen tussen de progressieve partijen en deze twee querelanten. Dat maakte een ‘Paars met een zwart randje’-kabinetten onmogelijk.

Maar van zulke sterk opkomende nieuwelingen was bij de andere zeven mismatches geen sprake. Dat er, met Koninklijke goedkeuring, zeven keer een loopje is genomen met de stembusindicaties, mag op conto van CDA en VVD worden geschreven, die nog eens twee keer een ‘partner in crime’ voor hun coupe nodig hadden (DS’70 in 1971 en D66 in 2003).

In ons soort democratie kunnen partijen, informateurs en formateurs niet gedwongen worden tot een coalitievorming conform de politieke kleur van de stembusuitslag. In andere woorden: politici hoeven niet loyaal aan een meerderheid van de kiezers te zijn. En dat zijn ze dus ook niet altijd.

Negen keer waren CDA en VVD daar verantwoordelijk voor.  Wat er in het stemhokje nodig is om herhaling te voorkomen moge duidelijk zijn.

Wat ook een optie kan zijn, is dat kiezers de gelegenheid krijgen op het stembiljet een voorkeur voor een coalitie uit te spreken. De ene CDA’er werkt immers liever samen met een PvdA’er, een ander liever met de VVD. Of dat ook tot genoeg duidelijkheid zal leiden, betwijfel ik, maar zou zo’n experiment niet de moeite waard zijn?

  1. 2

    Ik denk niet dat dit een heel nuttige manier is om naar de nederlandse regeringsvorming te kijken. Voor een werkbare regering heb je een meerderheid nodig, geen supermeerderheid. Dat is maar goed ook, anders zou het wel heel makkelijk worden om dingen tegen te houden. Er is dus moreel niets op tegen om een regering te vormen met 66% van de zetels, ook als een andere combinatie op 71% van de zetels zou steunen.

    Een ander probleem is dat de drie blokken niet uit één partij bestaan, maar uit een aantal. Zeker met links is dat nu het geval. Dit zijn niet voor niets verschillende partijen, als ze al geen inhoudelijke verschillen hebben dan vaak wel verschillende stijlen van politiek bedrijven.

    In hoeverre het christelijke blok nog bestaat vraag ik me ook af. Het feit dat alle uitzonderingen CDA/VVD kabinetten betreft zegt eigenlijk al genoeg: CDA is een rechtse partij.

    Met al dit soort dingen is het goed om voor ogen te houden dat het versplinterde politieke landschap niet door de politiek komt, maar door de kiezers. Een gepolariseerd politiek klimaat is een weerspiegeling van een gepolariseerd electoraat. Een van de redenen waarom we volksvertegenwoordigers kiezen is om namens ons de verschillen te overbruggen en tot een werkbaar beleid te komen.

    Zolang er grote verschillen in voorkeur zijn onder het electoraat, gaat een voorstel als ‘kies de coalitie’ natuurlijk niet werken. Daar komt ook niets eenduidigs uit.

    En ook al komt er wel wat uit, het lost niet perse iets op. Een jaar later, en een dergelijk kabinet is hoogstwaarschijnlijk ook z’n virtuele meerderheid kwijt, zeker in sombere tijden als de huidige.

    Nog een laatste meta puntje: dit soort abstracte discussies over het proces verhullen vaak meer dan ze verhelderen. Mensen willen graag een daadkrachtige regering. Maar al snel blijkt dat daarmee bedoeld wordt een regering die daadkrachtig maatregelen doorvoert waar je het mee eens bent. Natuurlijk niet een regering die daadkrachtig het land naar de afgrond stuurt. Beter om het dan over de inhoud te hebben, daar ligt vaak de echte discussie.

  2. 4

    Jamaar, jamaar, op het moment dat je één van de drie blokken gaat uithollen (CDA van christelijk naar liberaalrechts), valt de hele analyse in duigen. En het zou toch zonde zijn als die leuke cijfertjes zich aan zoiets als de werkelijkheid moeten gaan aanpassen.

  3. 5

    politici hoeven niet loyaal aan een meerderheid van de kiezers te zijn. En dat zijn ze dus ook niet altijd.

    Wat een enge spin zeg. Minderheidskabinetten komen maar zelden voor. Een meerderheidskabinet is wel degelijk gevormd door partijen waar de meerderheid van de kiezers achter staat (afgezien van een enkele keer dat vanwege de kiesdrempel 76 zetels door minder dan 50% van de bevolking worden gekozen en een minderheid van de kiezers dus een Kamermeerderheid kiest, zoals de afgelopen verkiezingen).

    Wat ook een optie kan zijn, is dat kiezers de gelegenheid krijgen op het stembiljet een voorkeur voor een coalitie uit te spreken.

    Het zou me niet verbazen als dat in het verleden meermaals geleid zou hebben tot een (relatieve) meerderheid voor de coalitie CDA/VVD, hetgeen dan ook vaak de uitkomst was. Daarnaast, wat heeft een partij aan zo’n voorkeur, als op belangrijke standpunten geen overeenstemming is met de voorgestelde coalitiepartner(s)? Tenslotte ben ik benieuwd hoe je zoiets gaat organiseren. Aangezien er gewoonlijk een partij of 15 meedoen, heb je enorm veel mogelijke combinaties. Dan wordt zo’n (toch al niet handzaam formaat) stembiljet wel erg groot. Of wil je zelf een voorselectie gaan maken (en dus de kiezer leiden)?

  4. 6

    Cerridwen: Voor een werkbare regering heb je een meerderheid nodig,

    Dat is niet helemaal waar. Strikt genomen heb je voor een werkbare regering alleen maar het vertrouwen nodig van een meerderheid van de Kamer. Namelijk het vertrouwen dat de regering de wet zal uitvoeren op de wijze zoals door de Kamer bedoeld. Gedoe met coalities en regeringsakkoorden e.d. is dus allemaal overbodig.

    Er is daarom ook helemaal niets op tegen om gewoon een stelletje betrouwbare technocraten tot ministers te maken. Een relatief simpele sollicitatieprocedure, zoals ook voor andere topambtenaren wordt doorlopen.

  5. 7

    Behalve dan dat die technocraten het erg moeilijk zullen hebben om dat vertrouwen van de kamer te verkrijgen. De politieke partijen zullen bovendien de sollicitatieprocedure willen beïnvloeden. En, heel belangrijk, het ontslaat de politieke partijen van verantwoordelijkheid: bezuinigingen? laat andere partijen daar maar voorstemmen.

  6. 8

    Dat vertrouwen is relatief eenvoudig te organiseren: de kandidaten voor een ministerspost worden voorgesteld aan de Kamer, die er dan over kan stemmen. Verkrijgt men het vertrouwen van de Kamer dan blijft dit gelden tot het weer wordt opgezegd (is nu ook zo).

    Die verantwoordelijkheid voor beleid hoeft ook geen onoverkomelijke problemen op te leveren. Ook zonder regeerakkoord zullen partijen de grenzen van de begroting moeten respecteren. Een minister van financiën, die immers het vertrouwen heeft gekregen om het budget in de gaten te houden, kan de Kamer informeren over de mogelijkheden en onmogelijkheden.

    Een minister die van mening is dat bepaald beleid onuitvoerbaar is kan altijd nog zèlf opstappen. Dat zou de Kamer dan aan het denken moeten zetten. Je kan je ook voorstellen dat als de regering als geheel opstapt, de Kamer ook wordt ontbonden. Zoals gebruikelijk bij een crisis.

  7. 9

    Met een enigzins terecht punt over gemanipuleer met cijfertjes, doe je me toch iets tekort, Bismarck.
    Het CDA is de grootste factor in de categorie ‘christelijk’. Van deze partij si bekend dat ze even makkelijk ‘linksig’ als ‘rechtsig’ doen, al naar gelang hun keuze van deelname aan coalities. De een vind dat die felixibiliteit de partij siert, een ander vind het labiele inconsequentheid.

    In het artikel spreek ik me daar niet over uit. Wat ik wel doe is laten zien hoeveel zetels er binnen een bepaal spectrum worden gehaald. Dat je de diverse varianten daarbinnen, groot of klein, alleen met een meerderheidscoalitie van meer dan 3 partijen kan vertegenwoordigen, is maar 5x voorgekomen en lijkt inmiddels als traditie afgeschaft (o.a. door de tot CDA gefuseerde partijen).

    Met die cijfers laat ik alleen maar zien wat de voorkeur van de kiezers was voor christelijk, of “linkse”of liberaal geïnspireerde politiek. Had ik het dan op rechts, midden en links moeten houden? Vermoedelijk zal de conclusie niet veel anders zijn.

    Verder vermoed ik dat een kiezer die op een “rechts-christelijke” partij heeft gestemd, al tevreden zal zijn als het alleen het christelijke element in een coalitie is vertegenwoordigd. Idem met de andere stromingen.

    Ik blijf erbij dat een aantal keren een spectrum uit de stembus rolde, die niet tot een overeenkomstige coalitie leidde. Of dat erg of niet wordt gevonden, daar valt over te discusssieren, zoals cerridwen in reactie 002 doet. Bovendien gaf ik in het atrikel aan dat het om een groffe indeling gaat. Begreep je niet wat ik daarmee bedoelde?

  8. 10

    Reactie op 002 van cerridwen:
    Voor een werkbare regering heb je een meerderheid nodig, geen supermeerderheid“.
    Als je naar de cijfers kijkt is dat ook zelden het geval en is er toch 11 van de 20 keer een coalitie gekomen die enigzins matcht met het politieke spectrum dat uit de verkiezingen naar voren kwam. Tot zover dus prima.
    Laten die zeven van die negen afwijkende keren nou net de kleinste meerderheden kennen. Meerderheden van 62, 61, zelfs van 57 en 54% vallen misschien nog te accepteren. Maar 52 en 50,7%??

    Met al dit soort dingen is het goed om voor ogen te houden dat het versplinterde politieke landschap niet door de politiek komt, maar door de kiezers“.
    Ja en mag dat dan ook in een coalitie terug te zien zijn? Inderdaad lijkt het me de taak van politici de verschillen te oerbruggen en dat doen ze bij coalitievormingen te weinig, naar mijn mening.
    Toen het CDA nog geen CDA was en er “christelijke”verschillen mochten bestaan, kenden nog coalities van 4 tot 5 partijen. Dat is na 1977 niet meer voorgekomen.

  9. 11

    Minderheidskabinetten zijn nog nooit voorgekomen. Ja, Ruttes VVD en CDA hadden 34,7% van de zetels, maar dat is kunstmatig opgepimpt tot een minimale 50,7% met behulp van je weet wel wie.
    Wat wel voorkwam is dat 2x de grootste partij buiten de boot viel of buiten de boot is gehouden en 7x de 2e grootste dat lot toeviel.
    Waarom die keren wel en alle andere keren niet?
    Dat van die kiesdrempel door lage opkomst is te betreuren, maar dan moeten we misschien bedenken bij welke lage opkomst een verkiezing misschien ongeldt moet worden verklaard?
    En “enge spin”??? Kom op Bismarck, je weet ook wel dat er bij sommige formaties bewust is op aangestuurd een bepaalde partij buiten te sluiten. Ik meen dat zulks gold bij De Quay, Marijnen en De Jong (de “Koude Ooorlog”-periode, bij Van Agt I, bij Kok I en bij Rutte. Of ben je dat niet met me eens?

    Tenslotte ben ik benieuwd hoe je zoiets gaat organiseren“.
    Tja, daar zou dieper over nagedacht kunnen worden. Twee mogelijkheden:
    1. Op het stembiljet staan onder of boven elke lijst 1 of meerdere vakjes waar zeen andere partij in kunnen vullen om aan te geven met wie de partij van hun voorkeur in zee zou moeten gaan. Beperk het tot 1?
    2. Partijen kunnen voor de verkiezingen coalitievoorkeuren aangeven, die op het stembiljet met een aankruizen van ja of nee door de kiezer geduid kunnen worden.

  10. 12

    “Tenslotte ben ik benieuwd hoe je zoiets gaat organiseren“
    Is dat nu ook al niet mogelijk door strategisch te stemmen? Het scenario voor de volgende verkiezingen is al min of meer duidelijk. Wanneer ik kies voor de kunduz coalitie, dan moet het Groenlinks/D66 worden. Als ik een breed links blok wil, dan kies ik SP.

    Bij de vorige verkiezingen was het ook van tevoren al duidelijk dat VVD/CDA iets met de PVV wilden. Toen ging het erom wie de grootste partij werd, als je VVD/CDA/PVV wilde dan moest je VVD stemmen, voor een nieuwe paarse coalitie de PvdA.