Examen kamerleden onwerkbaar en onwenselijk

Bas van der Vlies (Foto: Wikimedia Commons)

Gisteren stelde Bas van der Vlies, fractievoorzitter van de SGP en langstzittend Kamerlid, voor om een toelatingsexamen voor parlementariërs en parlementair journalisten in te stellen: “een goed medicijn tegen overdrijving, overijling en overschatting. Als ze het examen met goed gevolg hebben afgelegd, mag de beveiligingsdienst ze een Kamerpasje meegeven.” Zijn voorstel haakt aan bij het breed gedragen beeld van hijgerigheid dat in de Kamer heerst. Zijn zorgen deel ik, maar een examen is zowel onwerkbaar als onwenselijk.

In 2007 constateerde CDA-kamerlid Schinkelshoek per motie “dat de positie, de reputatie en de werkwijze van het parlement al enige tijd onderwerp van publiek debat zijn”. Nu kan iedereen daar iets anders onder verstaan, maar een veelgehoord bezwaar tegen het huidige politieke discours is de hijgerigheid van parlementariërs, die onder andere tot uiting komt in gigantische hoeveelheden kamervragen (3161 vragen in 2008 tegenover 1648 in 1997), moties (2543 in 2008 tegenover 913 in 1997) en het groter gebruik van het spoeddebat (65 in 2008 tegenover 18 in 2004) als middel van informatie en verantwoording.

Een stijging van die parameters is niet per definitie slecht, het kan immers betekenen dat het parlement beter gebruik maakt van de middelen. Het beeld van de laatste jaren is echter dat kamervragen, moties en spoeddebatten niet direct leiden tot meer of betere informatie of dat er een beter beleid door ontstaat. Juist door op elk incident te reageren, verdwijnt de component van de lange termijn uit de Kamer. De sterk gegroeide aantallen kamervragen en moties maken gedegen follow-up bijna onmogelijk en spoeddebatten worden ingezet voor zaken die weliswaar op dat moment in de media spelen, maar die niet door een spoeddebat in se kunnen worden omgezet in beleid. Hierdoor worden de instrumenten op een onwenselijke manier verdund. Alles is spoed, over alles worden vragen gesteld. “U bent verontwaardigd, wij draaien,” lijken de parlementariërs te denken.

Publiciteit is alles
Een en ander hangt samen met wat Ruud Lubbers de ‘Bermuda-driehoek’ noemt: de verwevenheid tussen bedrijfsleven, politiek en media, die alle gericht zijn op de korte termijn. De verkiezingen zijn altijd in zicht. Spoeddebatten en stevige moties leveren leuke soundbites op en worden door de media opgepikt. Kamervragen zijn het antwoord op elke situatie. De middelen die ooit bedoeld waren ter controle van de regering, zijn nu het middel tot publiciteit geworden. Dat is ook niet gek: de doorstroomsnelheid van Kamerleden is groot: in 2006 kwamen er maar liefst 70 Kamerleden nieuw in de Tweede Kamer. De gemiddelde tijd dat Kamerleden op dit moment op hun stoel zitten is 1969 dagen (ga maar na wat de gemiddelde anciënniteit drie jaar geleden, na de verkiezingen, was). Publiciteit is dé voorwaarde voor herkandidering van Kamerleden geworden.

Naar aanleiding van de eerder genoemde motie-Schinkelshoek stelde de Kamer de stuurgroep Parlementaire zelfreflectie in, die in maart dit jaar het rapport Vertrouwen en zelfvertrouwen afscheidde. Uit een bijgevoegd essay van emeritus hoogleraar parlementaire geschiedenis J.Th.J. van den Berg:

“Wetgeven is in hoge mate, als het goed is tenminste, onthaasten en daarmee pacificeren. Voor een Kamer die voornamelijk en ten dele noodgedwongen uit sprinters bestaat, gelet op de voortdurende wisseling van leden, is dit lange-afstandslopen erg lastig geworden. De Kamerleden zijn liever elke dag verbijsterd, geschokt en hoogst onaangenaam verrast.”

Onwerkbaar
Genoeg reden om iets te doen. Maar de suggestie van Van der Vlies is niet de juiste weg. Ten eerste is een toelatingsexamen onwerkbaar. Het zou kunnen dat de kennis van parlementariërs van de parlementaire geschiedenis en het staatsrecht omhoog gaat. Daarmee is echter de prikkel om te “scoren” niet weggenomen. In het mediatijdperk is beeldvorming alles. Op televisie of in de krant komen is ook ná de eventuele instelling van een examen de belangrijkste manier om je standpunten naar voren te brengen. Daarbij zijn het niet alleen naar aandacht smachtende eerstetermijns backbenchers die spoeddebatten aanzwengelen en moties en kamervragen per dozijn uitspuwen. Ook wijsgerige oud-senatoren, die het rustiger tempo kennen doen eraan mee. Voor de fractie als geheel staat de concurrentie aan media-aandacht gelijk aan de concurrentie in de peilingen.

Hetzelfde geldt voor parlementair journalisten. Kranten moeten verkocht worden, televisieprogramma’s moeten bekeken worden en sexy soundbites, expliciete verontwaardiging en onderwerpen waar ook zonder achtergrondkennis makkelijk een oordeel over te vellen zijn, zijn daarin instrumenteel.

Onwenselijk
Ten tweede is er de onwenselijkheid van een toelatingsexamen. Kort gezegd: wij bepalen zelf wel wie ons vertegenwoordigt. Binnen elke partij (!) hebben leden zeggenschap op de kandidatenlijst, men mag verwachten dat elke partij er moeite in steekt om geschikte kandidaten te vinden, die het partijgeluid optimaal voor het voetlicht kunnen brengen. Als men een stel onkundige dwazen wil kiezen, is dat mogelijk. Als dat niet aanslaat bij het publiek, corrigeert dat zich de volgende verkiezingen wel weer. Toegegeven: de meeste kamerleden komen op de slippen van de lijsttrekker binnen en het gros ervan verlaat zonder ooit bij het grote publiek bekend geweest te zijn het podium. De controle over de kieslijst voor kiezers is de jure groot, maar in werkelijkheid vrij klein. Toch blijft staan dat kamerleden vooraf geselecteerd worden door partijen en hun kiezers en niet achteraf door een door de oude Kamer ingestelde commissie.

Wat journalisten betreft begeeft Van der Vlies zich op gladder ijs. Media bepalen zelf wel wie zij afvaardigen naar het Binnenhof. Dat dat geregeld leidt tot pseudojournalistiek entertainment door bijvoorbeeld de bezonnebrilde lieden van CQC, is misschien niet helemaal “zoals het bedoeld is”, maar het is wel de consequentie van de persvrijheid die wij in Nederland hebben. Dat van der Vlies aan de randen van die persvrijheid knabbelt is onwenselijk op zijn minst.

Bas van der Vlies wordt door zijn ruim 28 jaar ervaring als kamerlid, zijn staatsrechtelijke achtergrond en zijn bedachtzame natuur vaak gezien als het geweten van de Tweede Kamer. Wat mij betreft terecht. Maar zijn idee om een examen voor parlementariërs en journalisten in te stellen heeft wel erg veel weg van een proefballonnetje. Het idee heeft verstrekkende en onwenselijke gevolgen voor de manier waarop we onze democratie inrichten. Daar had Van der Vlies best wat langer bij mogen stilstaan.

  1. 1

    Voor journalisten ben ik het met je eens, maar ik vind dat voor kamerleden best een toelatingsexamen vooraf geëist kan worden. Biedt een korte cursus met examen aan, aan iedereen die binnenkort 18 wordt of het Nederlands staatsburgerschap krijgt.

  2. 2

    @1: Ik vind zelf de minimumeisen die er nu aan het kamerlidmaatschap verbonden zijn (18 jaar of ouder, Nederlandse identiteit, niet uitgesloten van kiesrecht) eigenlijk prima. Examens zijn allemaal prachtig (hoewel dat wat mij betreft alleen per partij een ingangseis kan zijn), maar dat doet helemaal niets aan de cultuur die ik hierboven beschrijf.

  3. 3

    @2: Oh, dat geloof ik ook niet. Maar het kamerlidmaatschap trekt opportunisten aan, zeker bij partijen die snel groeien en nog geen goede structuur hebben staan. Als je de functie goed uitvoert, is het zwaar en niet al te best betaald. Maar je kan ook nooit op komen dagen en daar is wegens het individuele mandaat dat elke kamerlid heeft weinig aan te doen. Bij de volgende verkiezingen wordt dat wel afgestraft, maar het lijkt me niet gek om van te voren ook een klein drempeltje in te bouwen om het grootste kaf van het koren te scheiden ook buiten de partijorganisaties om. Als bijkomende voordeel is er nog dat de nieuwe kamerleden eerder ingewerkt zijn (hoewel ik me daar niet te veel bij voor stel; het is toch een vak dat je in de praktijk moet leren.)

  4. 6

    Een bepaald soort test lijkt me wel interessant. Hoeft geen toelatingstest te zijn, het zou ook een jaarlijks terugkerend televisieprogramma kunnen zijn. En dan niet over staatsrecht, daar hebben we figuren als Van der Vlies voor, die letten daar wel op, maar een test met als onderwerp: “in hoeverre staan de kamerleden met beide benen in de maatschappij”.

    Vragen die aan bod komen o.a.:

    Wat kost een brood?
    Wat is het netto maandloon van een buschauffeur?
    Hoe vervang je de achterband van een fiets?

    Opdrachten o.a.:

    Koop 7 ons trostomaten.
    Vraag huursubsidie aan.
    Maak deze pc vrij van alle trojans.
    Zeg dit telefoonabonnement op.

    Enzovoorts.

    Volgens mij lach je je dan rot.

  5. 9

    @3: Dus je wil een centraal examen instellen (waarvan de vragen natuurlijk verzonnen moeten worden door kamerleden die al zitten) om te voorkomen dat kamerleden niet naar vergaderingen komen en om de inwerkperiode te vergemakkelijken?

    Met alle respect, maar dat is baarlijke nonsens. Ten eerste omdat het probleem van afwezige kamerleden volgens mij bijzonder klein is (zo’n SP’er van vier jaar terug kwam inderdaad nooit opdagen). Dat is daarbij makkelijk te ondervangen met maatregelen die afwezigheid financieel bestraffen, mocht je daar echt iets aan willen doen.

    Daarbij doet een examen niets met inwerkperiode. Dan wordt het net zulke onzin als de inburgeringstoets:
    -waar bevinden zich de achterkamertjes?
    -als je wil lekken, moet je dat dan tegen je fractievoorzitter zeggen?

    Een groter bezwaar is van principiële aard: Iedere Nederlander boven achttien jaar heeft actief en passief kiesrecht. Een examen vooraf op gezag van het parlement als instituut doet afbreuk aan dat recht én aan de mate waarin partijen hun eigen kandidaten kunnen selecteren.

  6. 11

    @9: Het lijkt me niet dat de Kamer zelf dat toelatingsexamen moet samenstellen. Dat is meer iets voor een door de Raad van State te benoemen commissie.

    De toets moet natuurlijk inhoudelijk gaan over de basisbeginselen van staatsinrichting en -recht, met de nadruk op filosofische grondbeginselen. Want juist daar lijkt het nogal eens aan te schorten.

    Een examen doet geen afbreuk aan het passief kiesrecht, want iedereen mag het examen doen. De randvoorwaarden zijn dan wel dat het op vrij korte termijn (1 à 2 maanden) moet kunnen en gratis of goedkoop moet zijn.

  7. 12

    @11: Maar welk probleem lost dat op? In #3 zeg je:

    Maar je kan ook nooit op komen dagen en daar is wegens het individuele mandaat dat elke kamerlid heeft weinig aan te doen. (…)Als bijkomende voordeel is er nog dat de nieuwe kamerleden eerder ingewerkt zijn (hoewel ik me daar niet te veel bij voor stel; het is toch een vak dat je in de praktijk moet leren.)

    Niet iets wat met een examen gaat worden opgelost.

  8. 13

    Luister eens, ik was erbij zaterdag toen hij bij het Instituut voor Publiek en Politiek de speech gaf die een dag eerder in een persbericht naar buiten is gekomen, en daar zei hij letterlijk ‘ik hoop dat u onder mijn dikke brillenglazen de knipoog heeft gezien waarmee ik dit alles zeg’. Als je een beetje nagedacht had, beste Roy, dan had je dat ook wel begrepen, júist vanwege zijn 10000> dagen ervaring in de Kamer.

    Maar goed de hijgerigheid en publiecatiedrift van mensen zoals jij schieten vaker door in dit land dan die van welk Kamerlid dan ook, jouw stukje hier bewijst dat weer eens

  9. 14

    @13: Nounou, Tim van Lieshout, iets vriendelijker mag ook wel hoor. Ik heb een stukje geschreven dat volgens mij redelijk goed onderbouwd was en niet bijzonder ongenuanceerd.

    Dat Van der Vlies het min of meer als grap bedoeld had, had ik wel verwacht, maar daar kan ik niet van uit gaan, omdat dat in de nieuwsberichten waar ik me op baseerde niet stond. Misschien was het wel verstandig geweest om bij het ter perse zenden van een speech (want die verscheen een dag vantevoren in de pers), aan te geven dat het om een grap ging. Niet iedereen kan namelijk op zaterdag aanwezig zijn bij een bijeenkomst van het IPP.

    Publicatiedrift, ga toch heen man.

  10. 15

    Begrijp ik het nu goed dat de gedrukte vorm van de speech niet aangaf dat het om een grap ging en vd Vlies in zijn toespraak wel?

    En dat iemand in #13 het Roy kwalijk neemt dat hij dat niet doorzag?

    Lol!