Een weerlegging van ISIS

RECENSIE - Uitgeverij ’t Kennishuys heeft een boekje uitgebracht met de best opvallende titel Weerlegging ISIS. Het is een vertaald werk van de Syrische rechtsgeleerde Muhammad al-Yacoubi (1963-), geen onbelangrijke jongen, en een verklaard tegenstander van het regime van Assad. De ondertitel luidt: Het vernietigen van zijn religieuze fundamenten & bewijzen dat zij van de islam zijn afgedwaald en dat hen bestrijden een verplichting is. Dan weet u het al: deze 157 bladzijden betreffen een fatwa. Maar het is een bijzondere fatwa: geen rechterlijke uitspraak in een bepaalde kwestie, maar één die probeert te overtuigen. Yacoubi heeft een zéér breed publiek voor ogen:

Moslimjongeren die worden beïnvloed door de propaganda van ISIS (…) gewone moslims, die tegen ISIS zijn, maar die antwoorden zoeken (…) nieuwe rekruten van ISIS (…) de strijders van het Vrije Syrische Leger (…) moslimpiloten van de alliantie tegen ISIS (…) het westerse publiek: academici, journalisten, politici en het volk (p. 12)

Voor zo’n onderneming is de Aristotelische trits ethos, logos en pathos nodig. Ik zet ze even in de volgorde waarin ik ze behandel, want de vraag is natuurlijk: lukt het Yacoubi om zijn publiek te overtuigen?

Ethos

Qua ethos lijkt het wel goed te zitten. De man is al sinds zijn elfde bezig met zijn vak: moslimjurist, aanvankelijk in Syrië maar al snel deed hij ook op internationaal vlak ervaring op. Je zou verwachten dat hij weet waarover hij praat en daarin stelt zijn boek ook niet teleur. Hij is bovendien niet op de hand van één van die vele foute regimes die we in het Midden Oosten kunnen vinden.

Logos

Het vak van moslimjurist gaat natuurlijk vooral over de logos: het zuiver beredeneren van een juridisch standpunt. Zijn boek is een Fundgrube van argumenten tegen de praktijken van ISIS vanuit de theorie en praktijk van het islamitische recht. Talloze door ISIS gehanteerde methoden en ideeën worden door Yacoubi veroordeeld op basis van het islamitisch recht. Op het verwoesten van archeologische resten – ik noem even een exotisch voorbeeld – staat in de islam een verbod omdat de profeet Mohammed zelve de ruïnes van de stam Thammud – een teloorgegane beschaving die ook daadwerkelijk heeft bestaan en in de koran een rol speelt – ongemoeid heeft gelaten.

Slavernij is volgens Yacoubi verboden in de islam, omdat moslims verplicht zijn internationale verdragen waaraan ze zich in het verleden hebben gecommitteerd na te leven. Vrijwel exact datzelfde geldt voor het respecteren van religieuze minderheden, óók als dat polytheïsten of ongelovigen zijn: daar hebben moslims – waaronder de profeet zelf! – in het verleden verdragen mee gesloten en dat verplicht de moslims na hen zich daaraan ook te houden. Hij stelt het zelfs nog sterker: er hoeft maar één moslim bescherming te beloven aan een niet-moslim (van welke signatuur dan ook) en dat verplicht meteen alle andere moslims om dat ‘verdrag’ (want dat is het in de ogen van deze jurist) na te leven.

In een andere passage beargumenteert Yacoubi zelfs dat het verbreken van een verbond met een niet-moslim een ergere zonde is dan het verbreken van een verbond met een moslim, omdat de dhimma (het verbond onder welke niet-moslims onder moslimbestuur kunnen leven) aan niet-moslims dezelfde rechten verleend als die welke moslims hebben (het verbreken ervan houdt dus een inbreuk op die rechten in plus een contractbreuk). Voor veel van dergelijke bepalingen weet Yacoubi het voorbeeld van de profeet Mohammed zelf aan te halen en dat is belangrijk, want diens voorbeeld hoort maatgevend te zijn voor alle moslims. Zelfs ISIS claimt ’s mans voorbeeld te volgen.

Naar aanleiding van het levend verbranden van de Jordaanse piloot Mu’adh al-Kasasbeh haalt hij een aantal uitspraken aan van Mohammed volgens welke uitsluitend God zelf het recht heeft te straffen met vuur. Verbranden is dus in de islam alleen al daarom verboden. Enkele bladzijden verderop voegt hij daar nog extra argumenten aan toe door op eenzelfde manier aan te tonen dat het verminken van de lijken van gedode tegenstanders verboden is.

Hoezo beter?

Hier stuit hij op een tegenargument uit de koran zelf (16:126), waarin beschreven staat dat een misdadiger op gelijke wijze moet worden bestraft als de misdaad die hij heeft begaan. De piloot had bombardementen uitgevoerd en werd door ISIS – geheel conform dat koranisch voorschrift – op een vergelijkbare wijze gestraft: levend verbrand en vervolgens onder een berg puin begraven. Hiertegen brengt Yacoubi een algemeen beginsel uit het islamitisch recht in stelling: onrecht moet worden voorkomen, dus alle onrechtvaardige handelingen zijn verboden, óók in het kader van de uitvoering van een koranisch gebod. Zelfs als vergelding toegestaan is, mogen daarbij geen verboden middelen worden gebruikt.

Dit is het enige voorbeeld waarbij Yacoubi ingaat op een vraag die hij in het algemeen niet beantwoordt: waarom zijn methode van rechtsvinding beter is dan die van ISIS. Zijn boek is – als gezegd – een Fundgrube van argumenten tegen de standpunten van ISIS, maar de meeste van die argumenten zijn anekdotisch: een korancitaat, een uitspraak of handeling van de profeet. De lezer voelt al snel op zijn klompen aan dat voor elke profetische uitspraak die Yacoubi te berde brengt, ISIS er zo tien tegenover kan stellen. Andersom is dat trouwens ook zo en dat resulteert in twee kampen die elkaar slechts citaten en uitspraken voorleggen, zonder dat er ooit een beslissend argument uit voortkomt. De koran en de verzamelingen profetische anekdotes bevatten nu eenmaal voldoende onderlinge tegenspraak om er alle kanten mee op te kunnen.

Hier kan alleen de kwestie van methode uitkomst bieden: waarom is Yacoubi’s gebruik van de bronnen beter dan het gebruik dat ISIS van diezelfde bronnen maakt? Afgezien van de kwestie van het op gelijke wijze straffen versus het verbod op levend verbranden, gaat hij daar nergens specifiek op in. Je moet zijn boek héél erg nauwkeurig lezen om er een vermoeden van te krijgen, maar die inspanning kun je niet eisen van een publiek dat je mening niet per se deelt en dat je juist wilt overtuigen.

Wat hij wel doet, is benadrukken dat de lieden die ISIS runnen, volslagen amateurs zijn op zijn vakgebied, waarvoor jaren studie en ervaring nodig zijn, om nog maar te zwijgen van de diepgaande bronnenkennis. Die nadruk legt hij volkomen terecht, maar het blijft een gezagsargument en juist daar ligt zijn probleem. Een gezagsargument is namelijk niet alleen in technische zin een drogreden, het werkt tegenwoordig niet meer.

Schriftgeleerde

Yacoubi is lid van een uitstervend ras: de schriftgeleerde. De grote monotheïstische wereldgodsdiensten zijn gebaseerd op boeken, op teksten dus, maar zijn ontstaan in een wereld waarin de meerderheid van de mensheid analfabeet was. Religie was in die tijd en nog lang daarna het domein van specialisten. In de eerste plaats waren dat zij die konden lezen en schrijven. Daar is echter de afgelopen eeuwen fors verandering in gekomen. De uitvinding van de boekdrukkunst, en in het kielzog daarvan de toename van het aantal geletterden, heeft inmiddels overal in de wereld toegeslagen. Recentelijk is daar het internet bijgekomen.

Iedereen met enige belangstelling voor zijn eigen geloof kan nu zélf nalezen wat er in de bronteksten staat en dat leidt al snel tot eigen inzichten en opinies. Natuurlijk sluiten die niet aan bij het vakgebied dat specialisten in al die eeuwen hebben opgebouwd: het kritisch – met behulp van welke methode dan ook – beoordelen van die bronteksten en het met – in onze ogen al dan niet geschikte – methoden uitwieden van tegenspraken die er in die teksten in overvloed te vinden zijn.

Wie onderdeel uitmaakt van de elite van geloofsspecialisten zal overtuigd zijn van de superioriteit van de werkwijze waarin hij gepokt en gemazeld is, maar dat geldt niet voor zijn minder goed ingevoerde concurrenten. Die lezen zelf dingen, zoeken zaken na en komen tot hele andere conclusies, en wat nog belangrijker is: daarmee kalft het gezag van de geloofsspecialist onherroepelijk af. Een beroep op dat gezag gaat dus niet werken en moet worden onderbouwd. Dat kan, maar alleen als je de methode goed uitlegt.

Pathos

Yacoubi’s argumentatie is niet slecht, integendeel, maar hij kan zoveel beter. Toch vond ik het een overtuigend betoog en dat kwam door de laatste van de drie: pathos. Yacoubi heeft zijn boek in merkbaar grote woede geschreven. Bij lezing ervan vliegen je de pejoratieve bijvoeglijke naamwoorden om de oren. Wat echter vooral, en in meer positieve zin, bijdraagt aan zijn pathos, is de schets die hij voortdurend maakt van wat in zijn ogen de islam is, of ten minste zou moeten zijn. Slechts één citaat:

Deze extreme groepen hebben sharia gereduceerd tot islamitische straffen. Zij hebben sharia gereduceerd tot jizya [belasting – RK] voor niet-moslims. Hoe zit het met waarachtigheid, hoe zit het met genade , hoe zit het met respect voor burgers, hoe zit het met bescherming van leven? Daar gaat de islam over.

Dergelijke passages komen meer voor en hebben – althans in mijn beleving – meer overtuigingskracht dan zijn meer juridische, logische argumenten, hoe interessant die verder ook mogen zijn.

De eigen ruiten ingooien

Minder te spreken ben ik over zijn laatste hoofdstuk, waarin hij vijf punten voorstelt die in zijn ogen verwaarloosd worden, terwijl ze het extremisme juist versterken. Van de eerste vier kun je je de redelijkheid nog voorstellen, ongeacht hoe je er over denkt: het beëindigen van de onderdrukking van soennieten door de Iraakse regering, het beëindigen van het regime van Assad, het fatsoenlijk oplossen van de Palestijnse kwestie en het respecteren van rechten van moslimminderheden, met name in de Centraal Afrikaanse Republiek en Myanmar.

Het vijfde punt echter betreft het door westerse landen respecteren van islamitische waarden en heilige figuren, waarbij Yacoubi bij dat laatste punt direct toevoegt: en de grenzen van vrije meningsuiting opnieuw vast te stellen.

Als Yacoubi inderdaad – zoals hij zegt – met zijn boek ook mensen in westerse landen wil bereiken, dan heb ik zelden een auteur van een behoorlijk overtuigend en redelijk goed opgezet betoog ten behoeve van een goede zaak zijn eigen ruiten zó griezelig adequaat zien ingooien.

  1. 1

    Dit stuk toont weer eens aan dat religieuze teksten zo’n verschrikkelijke warboel van elkaar tegensprekende stellingen zijn dat ze ongeschikt zijn om conclusies te trekken inzake goed en kwaad. Gelukkig is er in het geval van IS geen grondige studie nodig om aan te te tonen dat het een intens slechte organisatie is.

  2. 2

    @1: Klopt, maar een goed initiatief dat waarschijnlijk onbekend zal blijven bij en nummer gelezen zal worden door zij die dat zouden moeten doen. Ik heb het dan niet alleen over ISIS sympathisanten maar ook over ongeïnformeerde niet-moslims. Verder stoor ik mij niet aan zijn opmerking m.b.t. vrije meningsuiting. Ik zie geen meerwaarde in het beledigen van groepen of overtuigingen, ongeacht welke. Maar dit middels wetgeving verbieden gaat me te ver. Maar je moet toegeven dat we in vrije meningsuiting behoorlijk zijn doorgeslagen. Soms lijkt het een concurrerende religie 😜