Een simpele vraag, een lastig antwoord

ACHTERGROND - In de aanloop van de Statenverkiezingen van 2011 noemde premier Rutte de wijze waarop de Eerste Kamer wordt gekozen ‘bizar’. Dat was evenwel geen reden voor zijn toenmalige kabinet, noch voor het in 2012 aangetreden kabinet van VVD en PvdA om daaraan iets te veranderen. Het onderwerp ‘staatkundige vernieuwing’ zat in de ijskast en bleef daar in.

Het kabinet-Rutte II en verantwoordelijk minister Plasterk zetten in op decentralisatie en op versterking van het middenbestuur door vorming van een provincie ‘Zuiderzee’ (Noord-Holland, Flevoland en Utrecht). Dat dit indirect ook gevolgen zou hebben voor de verkiezing van de Eerste Kamer bleef geheel buiten beschouwing. De samenvoeging van drie provincies zou per saldo immers tot vermindering van het aantal Statenleden hebben geleid, waardoor het electoraat voor de Eerste Kamer (de Statenleden) nog kleiner zou worden dan het nu al is. Nog ‘bizarder’ dus. Het ‘landsdeel-plan’ ging echter van de baan.

Het aanvankelijk wat lichtzinnige optimisme dat de Eerste Kamer in meerderheid wel steun zou geven aan kabinetsplannen, verdween spoedig. Er bleken onderhandelingen nodig met ‘meest geliefde’ oppositiefracties in de Tweede Kamer om daar het politieke draagvlak te vergroten. Dat maakte ook in de Eerste Kamer kans op een meerderheid reëel, uitgaande van de ‘wetmatigheid’ dat verwante fracties in beide Kamers als regel een zelfde stemgedrag vertonen. Dát moest worden onderhandeld, was omdat bij de formatie geen kabinet was gevormd dat kon rekenen op een meerderheid in de Staten-Generaal. Er kon hoogstens worden gesproken van een kabinet dat vruchtbaar kon samenwerken met de beide Kamers. De verhoudingen in de Eerste Kamer dwongen het kabinet feitelijk tot die onderhandelingen.

Bij de VVD is daarom nu toch de vraag opgekomen: bij wie ligt eigenlijk het politieke primaat? Want die simpele vraag is alles overheersend bij de discussies over de positie van de Eerste Kamer. Door het absolute vetorecht kan de Eerste Kamer alle wetsvoorstellen van een kabinet blokkeren. Dat dit niet de bedoeling is, moge een veel gehoorde opvatting zijn, maar zeker van oppositiefracties kan uiteraard moeilijk worden verlangd dat zij vóór kabinetsvoorstellen stemmen, waar ze eigenlijk tegen zijn. Wie vindt dat de Tweede Kamer het laatste woord moet hebben over wetsvoorstellen en de rol van de Eerste Kamer wil beperken tot een oordeel over de ‘kwaliteit’, zal de regels moeten veranderen. Een objectief criterium voor wat als ‘kwaliteitsoordeel’ en wat een ‘politiek oordeel’ moet worden beschouwd, bestaat immers niet.

De aangekondigde staatscommissie moet zich nu over dit vraagstuk gaan buigen. Eerst zal de probleemstelling door de fractievoorzitters uit beide Kamers in kaart worden gebracht. Als tip wijs ik hen graag op de informatie die nu al is te vinden op www.denederlandsegrondwet.nl. Daar zijn zowel de problematiek als mogelijke oplossingen beschreven. Dat daarmee een gemakkelijke oplossing is te vinden, is helaas niet zo.

In het verleden is enkele keren invoering van een terugzendrecht als oplossing genoemd. Omdat er steeds verschil van mening bleef over wie uiteindelijk het laatste woord moet hebben (Eerste of Tweede Kamer), was daarvoor nooit een vereiste grondwettelijke meerderheid te vinden. Het vetorecht van de Eerste Kamer zorgt er echter voor dat die Kamer een politiek drukmiddel heeft. Door ermee te dreigen, kunnen concessies en toezeggingen van het kabinet worden afgedwongen. Ontneming van het vetorecht, ontneemt de Senaat ook dat drukmiddel. Andere middelen van geschilbeslechting zijn evenwel denkbaar, maar ook dan moet de vraag worden beantwoord wie het laatste woord krijgt als een compromis niet mogelijk blijkt.

Als partijen in meerderheid vinden dat er iets moet veranderen, moeten zij allereerst af van hun absolute positie (bijvoorbeeld ‘niets veranderen’ of ‘afschaffen’). Als daartoe geen bereidheid is, is de gehele exercitie zinloos. Misschien biedt echter het constructieve voorstel dat in 2011 vanuit het Montesquieu Instituut werd gedaan een mogelijkheid om tot een compromis te komen tussen ‘vetorecht’ en ‘terugzendrecht’. De auteur daarvan is graag bereid om met de komende Staatscommissie daar verder over na te denken.

Dit artikel verscheen eerder op de website van het Montesquieu Instituut.

  1. 1

    Ik zou er voorstander van zijn als de helft van de eerste kamerleden zou worden gekozen door provinciale staten en de andere helft door gemeenteraadsleden. Dat maakt de eerste kamer minder het beeld van een vierjarige momentopname.

  2. 2

    Het lijkt mij dat we ook best zonder Eerste Kamer kunnen, met een maar: toetsing van wetten op kwaliteit (waar de EK wel degelijk beter in is dan de TK) moet wel ergens ondergebracht worden. Bijvoorbeeld door rechters wetten te mogen laten toetsen op de grondwet/internationale verdragen, of het RvS advies meer gewicht te geven.

  3. 3

    De waarde van de eerste kamer zit er juist in dat deze mensen op een andere manier zijn gekozen dan de tweede kamer. Daardoor bekijken ze wetten en regelingen op een andere manier.
    Daarnaast hebben de rol van de kwaliteits toets.

    Daarom zie ik geen reden veel te veranderen aan de EK. Gemeenteraadsleden laten kiezen, kan wel interessant zijn omdat dan ook kleine lokale partijen en stem krijgen, al zijn dat vaak CDA en VVD achtige partijen.
    Als linkse stemmer zou ik dat graag anders zien

  4. 4

    In principe heb ik niks tegen constitutionele veranderingen, tijden veranderen, aanpassen kan soms nodig zijn. Echter, ik vind het tijdstip nu wel erg opportunistisch. Jarenlang vond de VVD alles best zoals het was maar nu moet de EK op de schop omdat die niet als stemvee vrolijk met de VVD mee stemt.

    Maar zoals gezegd, verandering kan goed zijn: 1 direct gekozen parlement (wat nu Tweede kamer is) en wellicht Eerst Kamer als volksvertegenwoordiging afschaffen en een niet gekozen “Kamer van wetscontrole” die zoals Cerridwen betoogt enkel controleert of wetten een beetje deugdelijk in elkaar steken (dus consistent zijn,niet in egenspraak met andere wetten,verdragen etc en vooral eenduidig genoeg zodat er niet eert tg proef-processen moeten worden gevoerd om te achterhalen “wat de wetgever volgens de rechter” nu bedoelde met de wet).Lijkt mij dat dit vooral een college moet zijn van rechtsdeskundigen en niet van gekozen politici.

  5. 6

    @4
    Ik ben het niet met je oneens, maar wat betreft jouw voorstel:
    Wie kiest/stelt die ‘Kamer van wetscontrole’ aan? Wat zijn de benoemingscriteria (etc.)? Dan kom je met het probleem van legitimiteit. Gaan de leden van die ‘Kamer’ niet -juist- de belangen behartigen van de mensen die hen benoemen, in plaats van op de kwaliteit te letten? (Hét voorbeeld van een luie zesjescultuur: niet de vraag goed beantwoorden, maar het antwoorden geven wat de nakijker goed vindt.)

    En als ik het vanuit bedrijfsoogpunt -eventjes- aanschouw, vind ik het raar dat de Eerste Kamer maar de fouten van de Tweede Kamer eruit moet halen (en terug sturen, en dan weer terug op het bordje krijgen, etc.), waar de Tweede Kamer toch echt twee keer zoveel leden heeft om dat te doen én meer tijd (de Eerste Kamer komt minder vaak bijeen).

    Het voorstel in (niet per se van) #0 om de Eerste Kamer het vetorecht te ontzeggen, is eigenlijk belachelijk. Het is belachelijk omdat de Eerste Kamer daarmee een functie zou krijgen die -als het de Tweede Kamer niet aanstaat- gewoon genegeerd wordt. Daarnaast: het alternatief wat ze dan hebben, hebben ze nu ook én daar wordt veelvuldig gebruikt van gemaakt. Of terugsturen (wat in de praktijk al gebeurd met een novelle, ingediend door de regering, om een liggend wetsvoorstel te ‘repareren’ omdat het er anders niet doorheen komt), of gewoon niet ter stemming brengen. Hoewel dat laatste niet echt bekend is, kan er gewoon uitstel van agendering zijn, totdat het einde der dagen. (Zo is het wetsvoorstel Halsema 4 jaar blijven liggen tussen Tweede Kamer en Eerste Kamer. Het wacht nog steeds op een tweede lezing, 6 jaar naar stemming in de Eerste Kamer.)

    @McLovin Wat je dan ook eigenlijk voorstelt, naar mijn idee, is de vorming van een orgaan dat precies doet wat de Raad van State nu doet, met precies de toegangseisen voor de (bestuursrechtspraakafdeling van de) Raad van State (doctoraalexamen rechtswetenschappen, bij de andere afdelingen kom je er ook niet zomaar in), maar met het enige (en grootste) verschil dat adviezen wél bindend zijn. Om dat orgaan naast de Raad van State te laten bestaan, lijkt me nogal zinloos.

    Het grootste obstakel om wetten door een rechter te laten toetsen, is echter niet dat een rechter een wet kan herinterpreteren naar wat de wetgever (Staten-Generaal) destijds bedoeld hebben. De bedoeling staat immers al in de Memorie van Toelichting bij elke wet. Het obstakel is dat er een risico zou kunnen zijn dat de rechter een wet nietig zou kunnen verklaren, niet op rechtsstatelijke gronden, maar op (bijvoorbeeld) de onderliggende opvatting over de rechtsstaat, wat een politieke component heeft. En dat hoort (inderdaad) niet thuis in een zuiver gescheiden trias politica.

    Deze opvatting omtrent het toetsen van wetten en de trias politica lijkt me echter op zijn minst hypocriet, als we weten dat ons uitvoerend orgaan ook gewoon wetten maakt en dat nog nooit een probleem is geweest.

    Kortom: ik ben het volledig met je eens met je voorstel.

    Het huidige systeem is bij lange na niet defect, maar ‘de politiek’ weet gewoon niet wat en hoe ze het wil. De ‘vrijblijvendheid’ van de Raad van State komt haar goed uit: ze het kan het advies en oordeel daarvan gewoon in de wind slaan. Ze is niet altijd blij met het politieke element in de Eerste Kamer, maar vertrouwt wel op diezelfde Eerste Kamer als kwaliteitscontroleur; de Eerste Kamer is daarmee altijd het pispaaltje: als een wet niet goed is, maar ook als een wet er niet doorkomt. De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht (t.o.v. de andere twee) binnen de trias politica wil ze waarborgen, maar ze is daarin hypocriet. En kennelijk vindt ‘de politiek’ ook dat de Tweede Kamer en het kabinet met wetsvoorstellen moet komen, maar kan ze niet vertrouwen op de kundigheid van de mensen in de Tweede Kamer én op de ministeries om daadwerkelijk met goede wetten te komen.

  6. 7

    De Eerste Kamer levert prima werk. Eerste Kamerleden verdiepen zich vaak beter in de materie dan de Tweede Kamer. Als er al een Kamer herzien moet worden, is het de Tweede Kamer. Daar blijken ze steeds minder in staat het kabinet te controleren. Het lijkt me zinnig dat de staatscommissie zich daar op focust.

  7. 8

    @cerridwen/2

    Lijkt mij dat dit vooral een college moet zijn van rechtsdeskundigen en niet van gekozen politici.

    Op elk(?) ministerie is een afdeling wetgeving. Mensen die niks anders doen dan wetten schrijven. Daar zit de deskundigheid op samenhang, consistentie, juridische kwaliteit etc. Daarnaast zoals @folkward aangeeft is er ook nog de Raad van State. De eerste kamer de functie geven van die vakspecialisten lijkt me niet zo zinvol.

    @folkward/ 6

    De bedoeling staat immers al in de Memorie van Toelichting bij elke wet.

    Wellicht een kleine nuance: de MvT is eersteen politiek document (het moet door de kamers heen) en vervolgens een naslagwerk hoe de wet bedoeld was voor rechters. Daar zit een inherrente discrepantie tussen: in het eerste geval is er belang bij hier en daar mistigheid, in het tweede geval is er belang bij superhelderheid. Dat gaat niet altijd samen. Daarnaast kan en mag een rechter de wet ook toetsen aan de maatschappij. Indien de maatschappij zo veranderd is dat een wet niet meer passend is, heeft een rechter behoorlijk wat vrijheid. Je hebt overigens kritiek op de mankementen in het huidige systeem m.b.t trias politica.

    De politieke functie van de eerste kamer vind ik goed. De tweede kamer heeft eigenlijk een te nauwe relatie met het kabinet om de controlerende functie die ze heeft goed uit te kunnen voeren. De eerste kamer wordt op een ander moment gekozen en heeft dus een lossere relatie. Je ziet de laatste tijd dat de eerste kamer die politieke functie sterker invult, nu de tweede kamer steeds meer zich door de waan van de dag lijkt te laten leiden. Dat balanceert. Waar m.i. een sterke verbetering in zou zitten in hoe de eerste kamer gekozen wordt. Combineren met de gemeenteraad is een optie, maar liever wat mij betreft direct gekozen (zodat men snapt waarvoor gestemd wordt) en in een glijdend model (steeds een klein deel vervangen bij verkiezingen). Zo worden hopelijke de ‘lange lijnen’ in bestuur van het land beter gewaarborgd.

  8. 9

    Ik ben bang dat ‘direct gekozen gaat leiden tot meer profileringsdrang bij de leden. Omdat het primaat nu bij de tweede kamer ligt stelt de eerste kamer zich terughoudender op. Als ze ook moeten dingen naar de gunst van de kiezer op straat krijg je ongewenste concurrentie tussen beide organen met elk een vol mandaat van de kiezer. Mogelijk zelfs een regeerakkoord dat ook de eerste kamer bindt.

  9. 10

    @9 Risico op profilering / waan van de dag van de eerste kamer is dan i.d.d. aanwezig. Steeds een beperkt deel van de kamer vervangen is wellicht afdoende vangnet hiervoor.

    Nu is een van de zwaktes dat we kiezen voor provinciale aangelegenheden, die niet perse overeen komen met landelijke aangelegenheden.

  10. 11

    @8:

    Je ziet de laatste tijd dat de eerste kamer die politieke functie sterker invult, nu de tweede kamer steeds meer zich door de waan van de dag lijkt te laten leiden

    Ik denk dat je hier het politieke karakter van de eerste kamer ernstig onderschat. In de EK zitten gewoon politici die partijgenoot zijn van politici in de TK. Je mag er dus van uitgaan dat zij de inhoudelijke en politiek strategische opvattingen van hun collega’s delen, en dus hetzelfde stemmen. Dat de EK nu politieker is, komt eenvoudigweg omdat het kabinet geen meerderheid heeft in de EK. Dus worden voorstellen van het kabinet weggestemd in de EK, tenzij het kabinet ook al een meerderheid heeft geregeld in de TK. Dat heeft dus niets te maken met een TK die door ‘de waan van de dag’ geregeerd zou worden (wat uiteraard wel het geval is, maar dat is een ander probleem).

    Dit is het nieuwe normaal. Zetelverschuivingen zijn veel groter geworden tussen verkiezingen. De achteruitgang van de grote volkspartijen zorgt bovendien voor een veel groter aantal potentiële regeringspartijen. Die regeringen, die dus uit gemiddeld meer partijen zullen bestaan, zijn instabieler, waardoor TK en EK niet meer synchroon lopen en dus stevig van elkaar verschillen. Met als gevolg dat het heel lastig wordt om een stabiele regering te vormen die in beide kamers een meerderheid heeft, en dan ook nog een die stand houdt na de volgende verkiezingen van de EK wordt vrijwel onmogelijk.

    Met andere woorden, de huidige opzet van de EK vergroot de instabiliteit van de politiek aanzienlijk.

    Daarom kan het geen kwaad om eens na te denken over een ander systeem. De EK is uiteindelijk gewoon een orgaan met gekozen politici, net als de TK. Als beide een andere samenstelling hebben, wat vertegenwoordigen de EK leden dan precies? Vroeger was dat de provincies, maar die hebben nauwelijks betekenis meer (nou ja, 1 zetel voor de OSF). In feite is het gewoon dezelfde wens van de kiezer, maar dan op een ander moment. Is dat niet wat overbodig?

    Zoals ik al zei, heeft de EK ook nog de functie van iets meer afstand en het controleren van wetten. Een enkele keer wordt die functie ook gebruikt, en als dat gebeurt valt het meestal op. Maar is de EK de meest optimale constructie voor een dergelijke functie? Gezien bovenstaande, denk ik niet. Wat niet wil zeggen dat ik deze functie niet belangrijk vindt, die moet wat mij betreft zeker behouden blijven, waarbij ik er niet uit ben wat de beste oplossing zou zijn.

  11. 12

    @8: ” en in een glijdend model (steeds een klein deel vervangen bij verkiezingen)”

    Dat idee vind ik op zich heel sympathiek, maar het gaat (zeker bij de huidige omvang) al heel snel leiden tot een slechte representatie, vanwege een veel te hoge kiesdrempel.

  12. 13

    @12 Het ‘uitwisselen’ van een deel van de zetels zorgt voor een de facto kiesdrempel, maar deze hoeft niet groot te zijn. De kiesdrempel zou misschien niet eens zo erg zijn, als daarvoor in de plaats de mogelijkheid ontstaat om het functioneren van kamerleden en -fracties regelmatiger te controleren. Mijns inziens is dit wenselijker dan de gemeenteraads- of Provinciale Statenverkiezingen aan te grijpen als ‘kans om af te rekenen met een bepaalde partij’, zoals dat nu vaak gebeurt. Deze verkiezingen kunnen dan weer gaan over waar ze over zouden moeten gaan: lokale issues.

    Grosso modo valt de de factokiesdrempel dan ook wel mee. Met wisseling van 1/2, 1/3 en 1/5 van de zetels krijg je kiesdrempels van 1,33%; 2% en 3,33%. Nog steeds een stuk minder dan de 5% in België en Duitsland. Kijkend naar de uitkomsten van de vorige parlementsverkiezingen, zou dat betekenen dat alleen 50+ en PvdD het benauwd gaan krijgen (met elk 2 zetels), en in mindere mate de SGP (3 zetels).

    @11 Ik vind dat er altijd snel gegrepen wordt naar het ‘instabiliteits’argument om minder partijen te hebben/minder Kamers. Voor een land als Nederland vind ik dat vrij overdreven: zolang iedereen gewoon met elkaar door een deur kan, is er niks aan de hand. Dat een enkele wet er niet door zou komen is al helemaal geen bezwaar: de vele partijen bieden juist de mogelijkheid om met meerdere partners een meerderheid te zoeken. Overigens moet je dan ook stellen dat de VS een instabiele regering heeft, die heeft immers 3 organen met betrekking tot wetgeving: de Afgevaardigden, de Senaat en de President. Dat de meerderheden in de Senaat en het Huis van Afgevaardigden vaak genoeg anders ligt is -in dat gebruik van woorden- juist een stabiliserende factor: de ‘dictatuur van de meerderheid’ wordt zo gedwarsboomd. Anders zou het mogelijk zijn, als de meerderheid eenmaal verandert, alle wetten weer te herzien, en dat bij elke wisseling van de wacht. Rechtszekerheid is dan een stuk onzekerder.

    Desalniettemin, een interessant vraagstuk, of wisselende meerderheden destabiliserend zijn. Ik kom er later wel op terug.

  13. 14

    @13: Helemaal mee eens. Het belangrijkste argument, in mijn ogen, om de Eerste Kamer te houden, is juist de mogelijkheid om te voorkomen dat er op grond van de waan van de dag allerlei wetten doorgejast kunnen worden. Het is een beveiliging tegen, inderdaad ‘de dictatuur van de meerderheid’. Maar goed, dat is tegen dove oren van politici gezegd, want die willen juist alle vrijheid om hun eigen plannetjes door te voeren.

    @9 “Nu is een van de zwaktes dat we kiezen voor provinciale aangelegenheden, die niet perse overeen komen met landelijke aangelegenheden.”

    Daar merk ik eigenlijk weinig van. De Statenverkiezingen worden, heb ik de indruk, meestal aangewend om, zoals Folkward zegt, af te rekenen met een bepaalde partij. En ook dat hoeft helemaal niet verkeerd te zijn.

  14. 15

    @13:

    Voor een land als Nederland vind ik dat vrij overdreven: zolang iedereen gewoon met elkaar door een deur kan, is er niks aan de hand

    Ik ben helemaal voor de nuancering, maar dit gaat mij toch echt te ver. Vanaf 2002 zijn er 5 keer verkiezingen geweest, waarbij vrijwel iedereen een keer meegedaan heeft met een of ander akkoord. Het inhoudelijk profiel van de partijen vervaagt daardoor nogal (‘er valt niets te kiezen’ is ook op Sargasso regelmatig te horen).
    De huidige regering loopt grote kans te vallen volgend jaar, precies doordat tegen een grote nederlaag bij de EK verkiezingen wordt aangelopen.

    Overigens moet je dan ook stellen dat de VS een instabiele regering heeft

    Een vergelijking met de VS is inderdaad nuttig. Dat systeem is immers gruwelijk disfunctioneel, omdat daar de tirannie van de minderheid geldt: met een minderheid kan je elke besluitvorming tegenhouden, er zijn teveel vetopunten. En dat is precies wat er in Nederland ook dreigt te gebeuren: niets komt meer van de grond omdat voor alles een supermeerderheid nodig is, een meerderheid in beide kamers is immers >50% in beide kamers afzonderlijk.

    Nu hebben we gelukkig in Nederland veel partijen en zijn we gericht op samenwerken, waardoor er altijd wel weer genoeg partijen blijken te zijn voor weer een nieuw akkoord. Maar resultaten in het verleden bieden geen garantie voor de toekomst.

  15. 16

    @15

    Ik ben helemaal voor de nuancering, maar dit gaat mij toch echt te ver. Vanaf 2002 zijn er 5 keer verkiezingen geweest

    En ik vind dat jij overdrijft, en ik zal het even toelichten. Voornamelijk verschillen we over wat ‘stabiliteit’ is, maar ook schort er iets anders.

    Dat er sinds 2002 5 verkiezingen zijn geweest, ontken ik niet, maar dat maakte meer indruk in 2012. Ik wil even een overgeidealiseerde ‘stabiliteit’ schetsen, waarbij het aantal verkiezingen geminimaliseerd zijn: elk kabinet zit 4 jaar, en de formatieperiode ‘duurt eventjes’, maar niet belachelijk lang. Dan kom je op verkiezingen in 2002, 2006, 2010, en 2014/2015. Laten we er gemakshalve van uitgaan dat die ‘laatste verkiezing’ nog niet geweest zou zijn. Dan zit je dus met 3 verkiezingen sinds 2002, in plaats van 5. Ik wil dat even tegenover het aantal verkiezingen in een wat instabieler land stellen: Griekenland. Griekenland heeft ironisch genoeg een systeem dat juist stabiliteit moet bevorderen: 250 worden ‘vrijelijk’ verdeeld, 50 zetels worden toegekend aan de grootste winnaar. Desalniettemin heeft Griekenland sinds 2004 7 (!) verkiezingen gehad: 2004, 2007, 2009, 2012(I), 2012(II). Daarnaast kende het nog kabinetswisselingen in 2013 en 2014 (zonder voorafgaande nieuwe verkiezingen)

    Dat is naar mijn idee een democratisch stelsel dat -weliswaar- nog steeds werkt, maar ‘oververhit’ is geraakt door de verkiezingen dat het echt praktisch -en dus niet theoretisch, zoals ik het in Nederland zou kenmerken- moeilijk werd om een werkende regering te vormen (wat ook uit blijkt uit de kabinetswisselingen in 2013 en 2014).

    Van iets mindere ‘ergte’ vind ik België. We herinneren ons nog de lange kabinetsformatie in 2010. Onwil om met Vlaams Belang/Blok te werken, dat steeds groeide, terwijl andere partijen krompen, maakte de vorming van een werkende regering erg moeilijk. In de jongste Belgische verkiezingen is VB behoorlijk ingezakt, maar die kiezers zitten nu grotendeels bij N-VA, waartegen ook werd gehint op een cordon sanitaire.

    Mijn conclusie is dan ook: ideaal is het zeker niet, maar het is verre van erg. Misschien heb je al gemerkt dat ik stabiliteit wat anders interpreteer. Het aantal dagen dat een regering zit zou ik zeker meetellen als maatstaf voor stabiliteit, maar dat lijkt me ver van het enige. Dat de andere factoren (‘werkende regering’, ‘praktische moeilijkheid om een regering te vormen’) zo moeilijk te kwantificeren zijn, betekent niet dat ze niet meetellen.

    @14

    De Statenverkiezingen worden, heb ik de indruk, meestal aangewend om, zoals Folkward zegt, af te rekenen met een bepaalde partij. En ook dat hoeft helemaal niet verkeerd te zijn.

    Even voor de duidelijkheid, dat van mij is een constatering. Zélf vind ik dat verkiezingen horen te gaan over waar die laag van overheid iets aan kan doen. Gemeenteraadsverkiezingen behoren te gaan over gemeentelijke issues. Provinciale over provinciale/gemeenteoverstijgende issues, en landelijke verkiezingen over landelijk issues. Ik vind het wél verkeerd als partijen op lokaal niveau afgestraft (of geprezen!) worden, om iets wat zij niet kunnen veranderen in Den Haag.

  16. 17

    @13: Ik ben wel een beetje benieuwd waarom je (in italics) spreekt van een de facto kiesdrempel. Nederland heeft namelijk een de jure kiesdrempel, die gelijk is aan de kiesdeler. Verder:

    “Grosso modo valt de de factokiesdrempel dan ook wel mee. Met wisseling van 1/2, 1/3 en 1/5 van de zetels krijg je kiesdrempels van 1,33%; 2% en 3,33%.”

    Ik kom toch echt uit op respectievelijk 2,7%, 4% en 6,7%, waarbij die laatste misschien alsnog lager uitvalt, vanwege het vervallen van de de jure kiesdrempel bij minder dan 20 zetels te verdelen (maar dan nog speelt de wijze van verdelen van restzetels kleinere partijen dusdanig parten dat het in de praktijk altijd op veel meer uitkomt dan 3,33%). Niet dat dat er wat mij betreft toe doet, ik vind de huidige kiesdrempel (voor zowel EK als TK) al teveel. Noch Duitsland, noch België zijn wat dat (en wat kiesstelsels in het algemeen) betreft lichtende voorbeelden waar we ons aan dienen te spiegelen.

  17. 18

    @17 Ik heb het nog even bekeken. Ik dacht dat er in Nederland geen wetgeving omtrent de kiesdrempel bestond, vandaar dat de de facto kiesdrempel ligt op het minimale percentage dat nodig is om een zetel te behalen (en daarin heb ik ongelijk). Een tweedekamerzetel staat in Nederland gelijk aan 100%/150 = 0,667%. De genoemde bron noemt echter 75% van de kiesdeler als officiële kiesdrempel, dat betekent dat je met ‘slechts’ 75% van een zetel hebt voldaan aan de kiesdrempel (dit wil zeggen: voor de Tweede Kamer geldt een kiesdrempel van 0,5%). Ik neem aan dat deze kiesdrempel alleen belangrijk is voor het aanvragen van steun voor een partij.

    In Nederland kun je geen restzetel krijgen als enige zetel, waardoor de de facto kiesdrempel hoger ligt: namelijk de kiesdeler. Ik snap dat je hierover kan twisten: doordat de wet regelt hoe restzetels verdeeld moeten worden (namelijk d’Hondt indien de partij al een zetel heeft, is het (dus) wettelijk geregeld dat de kiesdrempel gelijk is aan de kiesdeler, en is dus de de jure kiesdrempel 100% van de kiesdeler.

    Ik denk echter dat er een klein misverstand is (waar jij nu ook al wel achter bent): waarschijnlijk dacht jij aan het opdelen van de Eerste Kamer in lichtingen, en ik aan de Tweede Kamer (wat de factor 2 verklaart tussen mijn en jouw cijfers). Als je de reacties terugvolgt (17>13>12>8) gaat het inderdaad over de Eerste Kamer (waarbij jouw genoemde percentages in #17 kloppen), ik maakte ‘de fout’ al in #13 (dat blijkt o.a. uit de voorbeelden van de 50+/PvdD/SGp).

    Trouwens, dat ik de jure in italic doe, is omdat ik “de de facto kiesdrempel” lelijk vind staan met de twee ‘de’s’. En ik doe het wel vaker met buitenlandse woorden.

  18. 19

    @11
    Ik heb nog even wat gegevens naast elkaar gelegd over de stabiliteiten van regeringen op basis van de verhoudingen in de Tweede Kamer. Ik heb dit gedaan aan de hand van gegevens over de kabinetten vanaf Drees-III tot Rutte-I. Ik heb hier als ‘definitie’ van stabiliteit genomen: hoe lang de (volgende) regering blijft zitten. Rompkabinetten heb ik er (begrijpelijk) buiten gelaten.

    Vaak wordt genoemd dat het aantal partijen op het stembiljet iets zegt over de stabiliteit. Tussen 1956 en 2012 stonden er 10 tot 29 partijen op het stembiljet, gemiddeld waren dat er 21,3. Als je turft hoe lang een kabinet na zo’n verkiezing zit, zit er niet veel verschil in. Als er al iets geldt, dan is het: hoe meer partijen, hoe beter.
    10 partijen: 790 dagen;
    14 partijen: 1457;
    16 partijen: 86;
    18 partijen: 557;
    19 partijen: 633;
    20 partijen: 1353;
    21 partijen: 1094;
    23 partijen: 1484;
    24 partijen: 1447;
    25 partijen: 1352;
    26 partijen: 1353;
    28 partijen: 312;
    29 partijen 1023;

    Ja, maar niet al die partijen komen in de Tweede Kamer…
    Klopt, tussen die jaren zaten er (ongewogen) 7 tot 14 (gekozen) partijen in de Tweede Kamer (dus afsplitsingen tellen niet mee), gemiddeld 10,3 per verkiezing. Gewogen geldt dat
    7 gekozen partijen goed zijn voor 790 dagen regeren;
    8 voor 1457;
    9 voor 1286;
    10 voor 458;
    11 voor 1370;
    12 voor 1324;
    14 voor 896;

    Ik heb ook even gekeken naar de grootte van de coalitie ten aanzien van de stabiliteit. Dit heb ik ‘gemeten’ in het aantal dagen regeren per zetel in de coalitie. De gedachte hierachter is: je hebt een ‘redelijke’ meerderheid nodig om iets voor elkaar te krijgen, maar met teveel zetels in de coalitie krijg je sneller hommeles. Wat is dan de marginale (regerings/stabiliteits)waarde van een extra zetel? Ik kwam erachter dat zo’n beetje elke zetelaantal tussen de 76 en 100 vrij stabiel is: elke zetel levert tussen de 11 en 17 dagen extra regeringstijd op, met een paar uitschieters naar beneden (Balkenende-1, Rutte-I, Marijnen), boven de 100 wordt het al snel penibel (dit zijn de kabinetten Cals, Agt-II, Drees-III).

    Ik heb ook gekeken naar het aantal partijen in de coalitie. Gemiddeld regeert een kabinet met:
    2 partijen 1302 dagen (3,5 jaar en nog wat);
    3 partijen 750 dagen (krap 2 jaar);
    4 partijen 1175 dagen (3 jaar, 2,5 maand);
    5 partijen 860 dagen (2 jaar, 4 maand);
    Het gemiddelde van de 3 partijen wordt ‘omlaag’ gehaald (wat heet) door Balkenende-I (86 dagen), Cals (184 dagen) en Agt-II (243), op een totaal van 8 kabinetten. Wel kan er nog de notitie gemaakt worden dat alle 4 van de 4-partijsformaties de ARP, CHU, KVP en een andere partij betrof, oftewel: CDA+nog iets, voordat het CDA het CDA was, betreft het ‘met de kennis van nu’ dan een 2-partijenregering, of toch een 4-partijenregering?

  19. 20

    @18: “doordat de wet regelt hoe restzetels verdeeld moeten worden (namelijk d’Hondt indien de partij al een zetel heeft, is het (dus) wettelijk geregeld dat de kiesdrempel gelijk is aan de kiesdeler, en is dus de de jure kiesdrempel 100% van de kiesdeler.”

    Dat bedoel ik. Dat de term (ik vermoed opzettelijk) vermeden wordt, betekent niet dat er geen wettelijke kiesdrempel ís. Die is er gewoon wel, al moet ik het eerste massamedium nog tegenkomen dat dat ook doorheeft (TV en krant praten elkaar gewoonlijk na dat Nederland geen de jure kiesdrempel kent). Bedenk daarbij dat Nederland voor een land met haar inwonertal een belachelijk kleine EK en TK heeft en je weet toch goed een eigenlijk helemaal niet zo lage kiesdrempel netjes te verstoppen. Een erg Nederlands trekje als ik zo vrij mag zijn dat eraan toe te voegen.