Een onverkwikkelijk debat

COLUMN - © Cambridge University Press, 2018. cover The Creole Debate by John H. McWhorterWie wil horen hoe boos geleerden kunnen worden op andere geleerden, moet de recente aflevering van de podcast New Books On Language beluisteren waarin de Britse taalkundige John Weston zijn Amerikaanse collega John McWhorter interviewt.

Niet dat Weston en McWhorter nu zo’n hekel aan elkaar hebben, maar McWhorter heeft een boek geschreven waarin hij zijn ruzie beschrijft met een aantal andere taalkundigen: The Creole Debate.

Want een ander woord dan ruzie bestaat er niet, zo wordt duidelijk uit de podcast en – voor de goede verstaander – uit het boek. En dat allemaal over één op het oog toch niet heel bloedige kwestie: zijn creooltalen anders dan andere talen?

Creooltalen zijn de talen die – bijvoorbeeld – op slavenplantages zijn ontstaan, waar tot slaaf gemaakten uit verschillende Europese landen bij elkaar kwamen en met elkaar en met de Europese ‘meesters’ moesten communiceren. Veel talen die in Suriname worden gesproken, zoals het Surinaams en het Saramaccaans, zijn creooltalen. Ze hebben vaak woorden die uit een Europese taal komen (in de Surinaamse talen is dat overwegend Engels).

Lange geschiedenis

Tot zover is er geen verschil van mening. De vraag is nu: zitten talen die op deze manier zijn ontstaan ook anders in elkaar dan andere talen? Kun je aan hun grammatica nog zien dat ze op deze manier zijn ontstaan?

Ja, zegt McWhorter, als erfgenaam van een oude traditie van de studie van deze talen. Op de plantages spraken de slaafgemaakten in eerste instantie noodgewongen een gebroken taal met elkaar – een pidgin. Uit die pidgin vormde vervolgens nieuwe generaties slaven een volwaardige taal, de creooltaal. Aan de structuur van zulke talen kun je dat nog steeds zien: ze hebben geen lange geschiedenis gehad en dus zitten er allerlei dingen niet in die talen alleen hebben na een lange geschiedenis. Ingewikkelde systemen van verbuigingen en vervoegingen, bijvoorbeeld, of woorden die zijn samengesteld (under-stand) en waarvan je de betekenis (‘begrijpen’) niet kunt afleiden uit de samenstellende delen.

Elegante theorie

Zijn tegenstanders – waarvan de Amerikaanse taalkundige Michel DeGraff de meest uitgesprokene is – zeggen daarentegen dat creooltalen niet cruciaal anders zijn dan andere talen. Ook andere talen worden beïnvloed door nog weer andere talen. Ook zij krijgen soms een eenvoudiger structuur doordat er ineens veel buitenstaanders komen die de taal op volwassen leeftijd leren, en dan ontstaat er ook vereenvoudiging. Deze onderzoekers noemt McWhorter uniformitariërs (creooltalen hebben een uniforme structuur als andere talen). McWhorter zelf kun je dan een exceptionalist noemen.

Het is, zou je zeggen, een overzichtelijke wetenschappelijke kwestie. Je deelt argumenten over en weer uit, maar helaas zijn er in de loop van de tijd andere kwesties bij gekomen. Zo horen de uniformitariërs meestal tot een bepaalde taalkundige school – de Chomskyanen – waar McWhorter duidelijk niet toe behoort. Zo vindt McWhorter dat zijn tegenstanders teveel bezig zijn met het ontwerpen van een elegante theorie en te weinig met het kijken naar de data. En het ergst van al: zo klinkt er in de argumentatie van de uniformitariërs meer of minder impliciet soms een verwijt door van racisme.

Rationeel

Het idee is dat exceptionalisme zegt dat creooltalen op een bepaalde manier een eenvoudiger grammatica hebben dan andere talen. Daaruit zou je de conclusie kunnen trekken dat de sprekers van zulke talen ook eenvoudiger denken. McWhorter – zelf zwart én spreker van standaard Amerikaans Engels – is het niet eens met die beschuldiging van racisme: volgens hem is er geen causale relatie tussen de eenvoud van iemands taal en de complexiteit van zijn denken. Vooral uit de podcast is duidelijk dat de verdenking hem dwars zit (en wie zou dat verbazen); ook in het boek zet hij uiteen waarom het onterecht is.

Tegelijkertijd kun je zeggen: maar niemand heeft dat ook ooit gezegd, dat McWhorter een racist is. Men heeft alleen gewezen op de nare oorsprong van de ideeën.

Het is allemaal iets om heel ongemakkelijk van te worden. Er zitten teveel verdenkingen en onderlinge irritaties in de hele discussie. Je krijgt bijna het idee dat hij eigenlijk niet meer goed gevoerd kan worden, niet door deze mensen. Ik vind McWhorter een heel interessante en volgens mij integere geleerde, maar dat geldt even goed voor sommige van zijn tegenstanders (sommige, omdat ik ze niet allemaal ken). Dat de enige hoop is dat er snel een nieuwe generatie komt die los van al deze persoonlijke verwijten weer rationeel naar de kwestie kan kijken. Hij is er interessant genoeg voor.

John McWhorter. The Creole Debate. Cambridge: Cambridge University Press, 2018.

Dit artikel verscheen eerder op Neerlandistiek.

  1. 1

    Aan de ene kant lijkt het me een interessant debat, aan de andere kant lijkt het me dat alleen de geïnsinueerde beschuldiging van racisme nieuw is, en voor de rest niets.

    Zijn machtsstructuren zichtbaar in taal? Ja, alleen het gebruik van de taal is al een teken van macht, daarnaast zijn er nog genoeg tekenen van macht in een taal: woorden, vaste constructies. Zijn mengtalen simpeler dan de ‘ouder’-talen: ja, meestal wel. Beperkt de taal de denkwijze (en wordt er simpeler gedacht door het gebruik van simpelere talen)? Ja, in eerste aanleg wel. Maar taal is niet een statisch iets, en als er de noodzaak is om een complex concept over te dragen, dan wordt er daar ook wel een oplossing voor gevonden. Om het beginpunt van dit debat bij creooltalen te leggen, is ook vrij willekeurig; ja het heeft met slavernij te maken, maar in essentie blijft het gewoon een mengtaal. Ik zou eerst moeten zien waarom een ‘slaventaal’ wezenlijk anders is dan een andere mengtaal.

    Voor de machtsstructuren in taal kan men kijken naar het Javaans. Niet alleen is het Javaans doorgaans gesproken door wat beter gestelde mensen (Maleisisch/Indonesisch is makkelijker), maar het Javaans kent ook verschillende spreekvormen, afhankelijk van wie je aanspreekt. Ook kan men kijken naar het (Ottomaanse) Turks van vóór de Tweede Wereldoorlog. De taal was doordrenkt van Arabische en Perzische leenwoorden (88%) en geschreven in een Perzisch alfabet dat voor deze Turkse taal was aangepast. Pas na de hervormingen door Ataturk is het Turks veel Turkser geworden, waarbij ook overgestapt werd op het Latijnse alfabet. Ook kan men kijken naar het Servo-Kroatisch. Servisch en Kroatisch lijken enorm veel op elkaar, maar zijn juist door de etnische en religieuze twisten verder van elkaar af komen te staan, ook wordt Kroatisch in het Latijnse alfabet geschreven, en Servisch in het Cyrillische.

    Wat betreft de mengtalen: er kan juist prima een voorbeeld genomen worden aan het Engels. Engels is een Germaanse taal, maar een stuk simpelere dan de meeste Germaanse talen die (hebben) bestaan. Engeland was een smeltkroes van de Kelten, Angelsaksen, Noren, Denen en de Franstalige Normandiërs. Al vrij vroeg is het Engels enorm versimpeld om communicatie tussen deze groepen te accommoderen. De naamvallen zijn verdwenen (in Nederland pas eind 19e eeuw, begin 20e eeuw), en van veel werkwoorden zijn slechts twee verbuigingen (come/comes), waarbij een derde verbuiging (cometh) nog wel bestond, maar ook grotendeels is weggevallen. Ook is er met het gebruik van leenwoorden veel makkelijker omgegaan: zowel een (Noord-)Germaanse variant is bruikbaar, alsook een Franse en Latijnse. Of dat nu gaat om kingly, royal of regal, of om earl en count. Het huidige Engels zien we niet als een ‘domme’ taal, dus waarom dat gedoe met die creooltalen?

    Misschien enkel en alleen vanwege de culturele connotatie. Ik hoorde laatst nog dat de het als achterlijk wordt beschouwd als je de sjwa ‘inslikt’ (de tweede ‘e’ in Nederlands), veelal aan het eind van een woord. Maar dat maakt een taal nog niet achterlijk. Net zo goed kan ik mij voorstellen dat Engelse sprekers zich kunnen ergeren aan het rijkelijk gebruik van dubbele negatieven door zwarte sprekers (‘I didn’t do nothing’). Maar niet alleen is dat juist een stukje moeilijkheid waardoor simpele talen weer wat (onnodig) moeilijker worden (door het extra beetje hersengymnastiek). Het gebruik van dubbele negatieven komt vaker voor, soms zelfs als integraal onderdeel van een taal. In een aantal Nederlandse dialecten (of verwante talen) is een zin als “Ek het nie geweet dat hy sou kom nie” (Afrikaans) prima logisch, alsook “Ik ne willen da nie doen” (Vlaams). In het Frans is een dubbele ontkenning standaard geworden voor een ontkenning en wordt ‘ne pas gezien als een tweeledige ontkenning.

  2. 2

    Ik denk wel dat veel van dit soort talen veel heel vreemde gemissen hebben. Ik ken het Papiamento een beetje en hierin vervallen alle lidwoorden en alle verbuigingen van werkwoorden. Daarnaast kunnen woorden op een soort Arabische manier aan elkaar gehecht worden. Zo heb je in het papiaments de samenvoeging: “mistimAbo” met het accent op de A; dat betekent “ik hou van je” en het is een samenvoeging van “Mi ta stIma bo”. Plotseling komt hier in de spreektaal de “ta” te vervallen en verschuift het accent van de “i” van stima naar de “a”. En dit is slechts 1 voorbeeld. Mensen in Curaçao doen dit constant en daardoor is de taal vrij moeilijk te leren, want wanneer kun je wél woorden weglaten en wanneer niet? Daarnaast is er geen woordelijk verschil voor “hij” en “zij” en “het”; dat is allemaal “e”.
    Toch denk ik niet dat ze op een chomskyaans niveau dingen echt anders doen. Ik ben wel benieuwd naar de argumenten van deze exceptionalisten.

  3. 4

    Het huidige Engels zien we niet als een ‘domme’ taal, dus waarom dat gedoe met die creooltalen?

    Vanwege de klasse (of het vermeende gebrek daaraan) van de sprekers. Hetzelfde geldt voor het Appalachian English, of allerlei dialecten die ze in Zeeland en de Achterhoek spreken.

    Daar wordt ook op neergekeken. En mensen die zo’n dialect spreken en naar ‘de grote stad’ (dwz de Randstad) verhuizen, leren meestal binnen een paar maanden hun accent weg te poetsen.

    In Vlaanderen geldt net zoiets. Plat Vlaams wordt daar op televisie niet gewaardeerd bij presentatoren. En dat zal vergelijkbaar zijn wanneer je komt solliciteren bij een accountant- of advocatenkantoor. Zoiets wordt onwillekeurig toch ervaren als: die komt van het platteland, die is nog niet helemaal geciviliseerd.

    Je wordt toch geacht om de gewoonten van de elite waarin je je begeeft over te nemen. Als ik aanschuif bij een gegoede familie ga ik ook even na hoe het eigenlijk heurt.