Een nieuwe fase in de Syrische burgeroorlog

ACHTERGROND - De oorlog in Syrië duurt al bijna vier jaar. Het dodental bedraagt 191.000. Tegen de drie miljoen mensen zijn het land ontvlucht, veelal naar buurlanden Turkije en Jordanië; 6,5 miljoen Syriërs zijn intern ontheemd.

Het regime van Bashar al-Assad wankelt echter nog steeds niet echt. Integendeel, het voelt zich gesterkt door de opmars van IS(IS). Nu is het namelijk voor iedereen – ook het Westen – duidelijk dat alleen Assads regering echt pal staat tegen de dreiging van deze terroristen. Maar hoe staat het met de rest van het verzet?

Het belangrijkste nieuws over het Syrische verzet is natuurlijk het uitroepen in juni van dit jaar van de Islamitische Staat (IS) door Abu Bakr al-Baghdadi, die zichzelf meteen maar de rol van kalief toekende.

Veel zaken met betrekking tot de situatie in Syrië, inclusief de samenstelling van de overige verzetsgroepen, hangen samen met de successen van Baghdadi en zijn groep, voorafgaand aan het uitroepen van het kalifaat. Op de situatie van die andere groepen kom ik later terug. Maar eerst het verhaal van Daesh, zoals de Islamistische Staat in het Arabisch wordt genoemd, een acroniem van Al-Dawla al-Islamiyya fil-Iraq wal-Sham, de Islamitische staat in Irak en de Levant.

Al-Qaeda in Irak

Dat verhaal is, zoals alles wat samenhangt met de situatie in Syrië (en Irak) behoorlijk complex. Vrij snel na het uitbreken van de opstand tegen het bewind van Assad, werden strijders vanuit Irak naar Syrië gestuurd om daar deel te nemen aan de strijd. Vanaf januari 2012 noemden deze strijders zich officieel Jabhat al-Nusra (het Overwinningsfront). De groep, onder leiding van Abu Muhammad al-Jawlani, onderscheidde zich vrijwel meteen met zware autobomaanslagen waarbij ook veel burgerslachtoffers vielen.

De eerste Nusra-strijders kwamen uit Irak. Daar had de groep wortels die teruggingen tot Al-Qaeda. Toen de Amerikanen in 2001 de jacht op Al-Qaeda openden, splitste die organisatie, die zich voornamelijk in Afghanistan had gevestigd, in tweeën.

Eén helft onder Bin Laden vluchtte naar Pakistan, een ander deel van Al-Qaeda trok onder Bin Ladens rechterhand Abu Musab al-Zarqawi naar Iraaks Koerdistan. En in 2003, toen de Amerikanen het Irak van Saddam Hussein binnenvielen, breidde dit deel van de organisatie zich uit naar de rest van het land, waar zij als vrij snel groeide als kool.

Dit kwam vooral door een aantal fatale beslissingen van Paul Bremer III, de man die namens de Amerikaanse president Bush als een soort onderkoning regeerde in Irak. Bremer verklaarde de regerende Ba’ath-partij buiten de wet en hief bovendien met één pennenstreek het hele Iraakse leger (400.000 man) op.

Veel soennitische ambtenaren en militairen – soennieten vormen vanouds de elite in Irak – die op deze manier aan de kant werden gezet, meldden zich aan bij Al-Qaeda, dat zich inmiddels Al-Qaeda in Irak (AQI) was gaan noemen en een hoofdkwartier had opgezet in Ramadi, de hoofdstad van de (soennitische) provincie Anbar. Van daaruit werden vervolgens veel aanslagen gepland.

De Amerikanen traden hier uiteraard tegen op. Zarqawi werd in 2006 gedood. Hij werd opgevolgd door twee man: de Egyptenaar Dardiri en de Iraki Abu Omar al-Bahdadi. In Irak was inmiddels, met steun van de Amerikanen, de macht in handen gekomen van de sjiiet Nuri al-Maliki, een man die de hele periode dat hij aan de macht was (tot de zomer van 2014) vrijwel niets heeft nagelaten om de soennieten van zich te vervreemden.

Nuri al-Maliki

Zo doorkruiste Al-Maliki bijvoorbeeld een Amerikaanse maatregel om met behulp van bewapende eenheden van soennitische stammen de invloed van Al-Qaeda in te dammen. Zo’n 70.000 tot 80.000 man maakten op een gegeven moment deel uit van deze ‘Sahwa’ (opwekkings) eenheden die met Amerikaanse wapens werden uitgerust.

Het was oorspronkelijk de bedoeling dat deze eenheden uiteindelijk in het nieuwe Iraakse leger zouden worden geïncorporeerd, maar Al-Maliki, die de soennitische eenheden wantrouwde, hield dat tegen. Hij liet het leger optreden tegen één van die sahwa-eenheden (de Amerikanen kwamen toen tussenbeide) en liet familieleden van leiders van andere eenheden arresteren.

Uiteindelijk werd een kleine groep sahwa-mannen in het leger opgenomen, maar Al-Maliki liet de meerderheid in de kou staan. En zoals te begrijpen valt, voer het ledental van Al-Qaeda in Irak daar wel bij. De beweging werd inmiddels geleid door weer een andere al-Baghdadi, Abu Bakr al-Baghdadi, nadat ook Abu Omar al Baghdadi en diens collega-leider Dardiri in 2010 waren gedood.

Met het aantreden van deze nieuwe Baghdadi deed ook een nieuwe naam zijn intrede: de Islamitische Staat in Irak (ISI). De Irakese premier Al-Maliki bleef intussen volharden in zijn anti-soennipolitiek. Kort nadat de Amerikanen uit Irak waren vertrokken, liet hij in december 2011 een arrestatiebevel uitvaardigen tegen de hoogste soennitische vertegenwoordiger van het land, vice-premier Tariq al-Hashemi, wegens terrorisme. Al Hashemi vluchtte naar het buitenland.

Escalatie

In januari van 2014 sloeg de vlam definitief in de pan. Al-Maliki probeerde toen een protest in de stad Ramadi tegen de regeringspolitiek met geweld te onderdrukken. En bij een poging een soenni-afgevaardigde in het parlement uit Ramadi te arresteren werd diens broer gedood.

Dit was het begin van een strijd waarbij Baghdadi en zijn groep (waarvan de naam intussen alweer was veranderd – van ISI naar ISIS – waarover hieronder meer) geleidelijk meer steun kregen van diverse stammen die voordien gereserveerd stonden tegenover Al-Baghdadi en diens streng devote aanpak.

Als gevolg van de keiharde manier waarop Al-Maliki het leger liet terugslaan, kozen ze, zoals zij het zagen, de minste van twee kwaden. Een krant citeerde een stamhoofd die zei: ‘ISIS is niet wat we willen, maar alles is beter dan Al-Maliki.’

Er volgde een strijd van maanden, waarbij eerst de provinciehoofdstad Ramadi volledig in handen van ISIS viel, vervolgens de tweede stad van de provincie, Falluja, en uiteindelijk de hele – aan Syrië grenzende – provincie Anbar.

Begin juni dreigde er een offensief tegen Samarra en indirect tegen de hoofdstad Bagdad zelf, maar enkele dagen later, op 10 en 11 juni, nam ISIS verrassenderwijs met verbazend gemak achtereenvolgens de steden Mosoel en Tikrit in, waarbij het leger vrijwel geen weerwerk bood en grote aantallen wapens en materieel in handen van Al-Baghdadi en diens mannen vielen.

Van Irak naar Syrië

Tot zover de gebeurtenissen in Irak. Nu terug naar Jabhat Al-Nusra, het filiaal van ISIS in Syrië. Net als zijn Iraakse pendant was het Nusra Front vooral succesvol in tribale gebieden. Het vestigde zich – mede dankzij akkoorden met stamhoofden – in een bij uitstek tribaal gebied van Syrië, ten oosten van Aleppo, langs de Eufraat tot aan Deir az-Zor.

Het Front was een van de sterkere groeperingen en leverde een grote bijdrage aan de strijd om Aleppo en in Idlib. Maar in april 2013 kondigde Abu Bakr al-Bahdadi vanuit Irak aan dat Al-Nusra eigenlijk vanuit Irak werd aangestuurd. De twee bewegingen zouden vanaf nu onder één naam verder gaan: namelijk als ‘Islamitische Staat van Irak en de Levant’ (ISIS of ISIL).

Die fusie werd onmiddellijk betwist door Abu Mohammed al-Jawlani, de leider van Al-Nusra,. Hij beriep zich erop trouw te zijn aan Ayman al-Zawahiri, de algehele leider van het oorspronkelijke Al-Qaeda en de ‘erfgenaam’ van Bin Laden. Ook Zawahiri keurde de fusie af. Hij riep op tot bemiddeling tussen de twee.

Al-Baghdadi trok zich daar echter niets van aan. In mei reisde hij zelfs naar Noord-Syrië, waar hij aanhangers van Al-Nusra – naar het schijnt niet zonder succes – overhaalde om over te lopen.

Splitsing

Het geschil legde intussen ook een belangrijk verschil in aanpak bloot. Al-Nusra was uitdrukkelijk een verzetsgroep die uit was op de val van Assad in Syrië. ISIL daarentegen, was uit op het consolideren van een eigen bolwerk teneinde op een later tijdstip vanuit een positie van macht een aanval te kunnen ondernemen op staten als Irak en Syrië.

De splitsing onderstreepte trouwens ook meteen een splitsing in de moederorganisatie Al-Qaeda, waarvan de leider Al-Zawahiri zich al eerder bezorgd had getoond over de keiharde manier waarop Baghdadi afrekende met tegenstanders, waaronder de sjiieten in Irak.

Duidelijk was dat ISIL een nieuwe onafhankelijke weg was ingeslagen. En de splitsing in Al-Qaeda bleef niet beperkt tot Syrië en Irak. De ISIL-variant heeft inmiddels een filiaal in Noord-Afrika en ook Beit al-Maqdis in de Egyptische Sinaï heeft trouw aan ‘kalief’ Baghdadi betuigd.

Burgeroorlog binnen de burgeroorlog

In Syrië leidde de splitsing Nusra-ISIL tot een gespannen situatie. In januari en februari van dit jaar zette ISIL in het noorden van Syrië een offensief in tegen nagenoeg alle andere verzetsgroepen, waaronder ook Al-Nusra. Het uiteindelijke resultaat daarvan was dat ISIL zijn posities consolideerde en onder meer de plaats Raqqa en omgeving veroverde.

Geschat wordt dat bij de ruim twee maanden van gevechten zeker zo’n 7.000 man werden gedood. (Een onderzoeksgroep van de Stanford University schat dat in de strijd tussen ISIL en al-Nusra alleen al zo’n 3.000 man sneuvelden).

Afgelopen zomer begon ISIL met een nieuw offensief, waarbij het Al-Nusra verdreef uit de omgeving van Deir az-Zor en een aantal olievelden overnam, één van de bronnen waaruit ISIL zijn bestaan bekostigt. Andere slagen die ISIL leverde gingen om het bezit van voor de logistiek belangrijke toegangswegen in het grensgebied met Turkije en met de Koerden, onder meer om het bezit van de stad Kobani (een strijd die overigens na maanden van gevechten nog steeds niet helemaal is beslist).

Hergroepering

De strijd van IS tegen de andere groepen, waarbij ook belangrijke leiders van het Syrische verzet als Khaled al-Suri van de grootste islamitische groepering, Ahrar al-Sham, werden gedood, leidde tot een soort hergroepering van vrijwel alle andere groepen.

In augustus richtten zij een Revolutionaire Commando Raad (RCC) op, in een poging een zo groot mogelijke bundeling van krachten op de been te brengen. De RCC moest dienen als een soort vervanger van het machteloze Vrije Syrische Leger (FSA) van de eveneens disfunctionele Syrische Nationale Coalitie, de in naam overkoepelende organisatie van door de Verenigde Staten en Saoedi-Arabië en hun bondgenoten gefinancierde organisaties.

Eind november hield de RCC een congres in de Turkse plaats Gaziantep. Daarbij werd duidelijk dat een dertiental organisaties er lid van was, dat wil zeggen bijna het hele spectrum van verzetsgroepen, met uitzondering van ISIL, Al-Nusra, een onafhankelijke Jihadistische groep (Ansar ad-Din) en de Koerdische YPG.

Assad

Wat de RCC gaat uitrichten, moet nog blijken. ISIL, dat intussen het kalifaat IS is geworden, beidt intussen zijn tijd. Daarbij wordt IS vrijwel niet gehinderd door het regime van de Syrische president Assad, die de verdenking op zich laadt wel blij te zijn met een opponent die zo duidelijk ook door de rest van de wereld wordt verguisd.

Deze situatie maakt immers bijzonder duidelijk aan de rest van de wereld dat de regering-Assad de enige macht in Syrië is die een meedogenloze, terroristische, islamistische vijand weerstaat.

Wat de wereld van IS ziet, is vooral wreedheid in de vorm van onthoofdingen, het afslachten van krijgsgevangenen of tegenstanders en het verjagen van minderheden als de Yazidi’s.

Consolidatie

Maar volgens één van de beste experts op het gebied van het Syrische verzet, de Zweed Aron Lund, is IS in Syrië met zijn geschatte mankracht van niet meer dan zo’n 5.000 man, vooral bezig zijn positie te versterken door zijn banden te verstevigen met de conservatieve soenni-moslimbevolking. Daarin slaagt het tot op zekere hoogte, door een soort stabiliteit te verzorgen, inclusief een rechtssysteem met behulp van shari’a-rechtbanken dat ongeveer vergelijkbaar is met wat de Taliban destijds deed in Afghanistan.

Aan financiële middelen heeft de IS intussen geen gebrek. Die krijgt de Islamitische Staat door verkoop van olie, buitgemaakte wapens en het heffen van beschermingsgelden en tol. Consolidatie in de veroverde gebieden is vooralsnog het devies. En voorlopig gaat de strijd niet zozeer tegen Assads Syrië.

Het wachten is op het moment dat de IS sterk genoeg is om de volgende stap te wagen, zoals zij dat deed in Irak. Of en wanneer dat moment komt, is nu nog onduidelijk. Maar het hangt waarschijnlijk niet af van de luchtaanvallen van de Amerikanen en hun bondgenoten, waaronder ook onze eigen F-16’s.

Die hebben namelijk volgens de meeste waarnemers hoogstens marginale betekenis. Ze verhogen trouwens ook nog eens bij heel wat potentiële supporters de populariteit van de IS als bolwerk tegen de ‘anti-Islamkoers’ van het Westen. Het verhaal wordt nog wel even vervolgd.

Een gewijzigde versie van dit artikel verscheen in het decembernummer van ‘De Brug’, het blad van het Steuncomité Israëlische Vredes- en Mensenrechtenorganisaties.