Een monnik vertelt

ACHTERGROND - In de Middeleeuwen leefde in de cisterciënzer abdij Heisterbach aan de voet van het Zevengebergte in het Rijnland de monnik en novicemeester Caesarius. Ten behoeve van zijn leerlingen noteerde hij tal van exempelen die uiteraard vaak over het kloosterleven gaan maar even zo vele keren over het dagelijks leven van het volk buiten de poort. Hij bezocht samen met zijn abt op diens visitatiereizen onder meer de toenmalige Noordelijke Nederlanden, waar hij als een soort Ate Doornbosch avant la lettre verhalen van wonderen, visioenen en verschijningen uit de mond van zijn zegslieden optekende. Zoals we straks zullen lezen ging hij hierbij nauwkeurig te werk met de intentie de historische werkelijkheid vast te leggen. Kortom: we hebben hier te maken met één van de schaarse schriftelijke middeleeuwse bronnen van Nederlandse volkscultuur.

Cisterciënzers en mirakelen

cc commons.wikimedia.org Caesariusdenkmal Dollendorf.jpg

Caesarius Denkmal in Königswinter-Oberdollendorf

Caesarius was monnik van de nog steeds bestaande orde der Cisterciënzers die in 1098 door Robert de Molesme werd opgericht als reactie op de qua beginselen stevig verslapte orde der Benedictijnen, met name die in het monumentale klooster van Cluny.

Dat de Cisterciënzers in 1664 op hun beurt tot de orde geroepen werden door de Trappisten is een verhaal apart, maar in de eerste eeuwen van de het tweede millennium vonden de Cisterciënzers zich van de westerse christenen toch het dichtst bij God staan, en niet zonder reden. Dat alles onder de bezielende leiding van ongetwijfeld de grootste Cisterciënzer van de Middeleeuwen: de mysticus Bernardus van Clairvaux (1090-1153). Ook Caesarius was ervan overtuigd dat het leven van een cisterciënzer monnik de beste, veiligste en zekerste weg naar de hemel was.

Het wereldbeeld van de middeleeuwers en derhalve van de Cisterciënzers verschilde significant van het onze dat nog hoofdzakelijk wordt bepaald door de Verlichting. De middeleeuwse samenleving was doortrokken van religie en christelijke godsdienst en de daarmee gepaard gaande wonderen en tekenen van ‘the other world’, om een modieus begrip te hanteren. Al in de late Oudheid waren de christenen tot de overtuiging gekomen dat het na het aardse leven van Christus en zijn apostelen niet afgelopen was met wonderen. Stoffelijke overblijfselen van bijbelse personen en later van heiligen bleken intrinsieke krachten te bezitten die bijvoorbeeld zieken konden genezen.

Eén van de voorvechters van deze mening was niemand anders dan Augustinus van Hippo (354-430), die, om ze voor teloorgang te behoeden, 25 hedendaagse wonderen beschreef in zijn ‘De Civitate Dei’ waarmee hij deels putte uit eigen ervaring. En Gregorius de Grote beschreef in zijn ‘Dialogi’ (594) leergesprekken over recente deugden en wonderen die plaatsgevonden hadden in het Italië van zijn tijd, ter behoud en lering. De wonderen waren niet alleen signalen van de levende Christus, maar ook voorbeelden, exempelen, hoe men als christen moest volharden in de christelijke deugden. De wonderen verwezen naar de geestelijke werkelijkheid die de dagelijkse wereld omsloot en haar betekenis gaf. Visioenen behoorden ook tot deze tekenen Gods, maar zowel Augustinus, Gregorius als Caesarius waarschuwden voor dromen: deze ‘visioenen’ konden beïnvloed zijn door een volle of juist lege maag, een te grote hoeveelheid genuttigde alcohol of gewoonweg door demonen of door de duivel zelf.

Caesarius van Heisterbach, zijn leven en werk

cc commons.wikimedia.org Caesarius von Heisterbach als Novizenmeister.jpg

Caesarius von Heisterbach als Novizenmeister

Caesarius is bijna zijn hele leven monnik geweest. Nadat hij in Keulen lager en hoger onderwijs had genoten in de Stiftsschool van Sankt Andreas en de domschool, begaf hij zich in 1199 naar de abdij Heisterbach, ook wel Sint-Pietersdal genoemd, waar hij al snel novicenmeester werd, een ambt dat hij tot zijn dood in 1240 bekleedde. Hiernaast werd hij in 1227 prior van de abdij. Naast zijn zorg voor en opleiding van de novicen was Caesarius vrijgesteld voor onderzoek en schrijfwerk en hij heeft dan ook een uitgebreid oeuvre nagelaten: preken en bijbelcommentaren, twee heiligenlevens die uitblinken in voor die tijd historische betrouwbaarheid, en zijn verzamelingen exempelen. In zijn preken zijn overigens ook tal van exempelen verwerkt.

Ceasarius is het meest bekend geworden door zijn verzamelingen exempla: het tweedelige ‘Dialogus miraculorum’ (1219-1223) dat integraal in een aantal handschriften is overgeleverd, en het achtdelige ‘Libri octo miraculorum’ dat slechts fragmentarisch is overgeleverd.

Een exempel (exemplum = voorbeeld, afbeelding) is een verhaal dat met name in de Middeleeuwen werd gebruikt om het volk te overtuigen van een bepaald geloof en om het gegeven voorbeeld na te volgen. Exempelen waren meestal religieus van aard maar konden ook een sociale visie verkondigen. Het exempel is verwant aan de gelijkenis, waarin één verhaal representatief is voor iets groters of abstracters. Religieuze exempelen hebben vaak de vorm van een legende. Als genre behoord het exempel expliciet tot het volksverhaal.

In het genre van het exempel is naast mirakelen, visioenen, engelen en heiligen een grote rol weggelegd voor het kwade, het demonische en het griezelige. De satan als verabsolutering van het kwaad komt voor, maar ook kleine duiveltjes en kaboutertjes die hooguit plagerig van aard zijn. Ook zwarte magie komt aan bod zoals het aanroepen van de duivel.

cc commons.wikimedia.org HeisterbachDialogus.jpg

Caesarius of Heisterbach, Dialogus Miraculorum, page from manuscript Ms. C 27, fol 1 r, University library Düsseldorf

Caesarius verzamelde zijn exempelen tijdens zijn visitaties die hij als prior aflegde met zijn abt. De visitatie aan dochterkloosters van de abdij dienden om het geestelijk en ascetisch niveau van de kloosters te waarborgen. Caesarius tekende de verhalen op uit de monden van diegenen die de wonderen meegemaakt hadden of er indirect, maar nauw bij betrokken waren geweest. De namen van de zegslieden werden telkens genoteerd. Het ging steeds om recente gebeurtenissen, dus niet om verhalen van lang geleden waarop vergeetachtigheid en veranderingen vat hadden gekregen. Recent onderzoek heeft aangetoond dat orale tradities qua nauwkeurigheid een bijzonder kort leven zijn beschoren. Daar zullen de optekeningen van Ceasarius niet onder te lijden hebben gehad.

De auteur heeft zijn totaal 746 exempels systematisch ondergebracht in twee boekdelen die elk zes ‘distinctiones’ (afdelingen) omvatten. Deel één gaat over De bekering, Het berouw, De belijdenis van de zonden, De bekoring, de Demonen en De eenvoud; deel twee over De moeder Gods Maria, Allerlei visioenen, Het sacrament van het lichaam en bloed van Christus, De mirakelen, De stervenden en De beloning van de gestorvenen. Aan deel I gaat een proloog van Ceasarius zelf vooraf waarin hij bekend de verzameling op bevel van zijn abt op schrift gesteld te hebben. Hij had in eerste instantie geweigerd aangezien hij van mening was dat zijn kennis van het Latijn (het werk was primair bedoeld voor religieuzen en priesters) tekort zou schieten. Zijn Latijn is inderdaad niet van het moeilijkste soort. Als vorm heeft hij, in de geest van Gregorius, gekozen voor de dialoogvorm, in dit geval tussen novicenmeester en leerling.

Beatrijs

Dit verhaal zou incompleet zijn als ik niet zou vermelden dat de Dialogus miraculorum (dist. 7, 34) de oudste schriftelijke versie van de bekende middelnederlandse Beatrijslegende bevat. Later heeft Ceasarius het exempel nogmaals en uitgebreider opgetekend in een deel van zijn Libri micarucolorum octo. Wellicht heeft hij toen uit een andere bron geput. Volgens Cartens (1962) is het niet onwaarschijnlijk dat de Beatrijs zich heeft ontwikkeld uit een profaan volkslied dat later werd uitgebreid met hoofse motieven. Mede door de tendens van de tijd is het later gespiritualiseerd tot Marialegende. De (eerste) versie van Ceasarius zou terug kunnen gaan op dat oorspronkelijke volkslied. Het enige ons bekende handschrift waarin de Beatrijs voorkomt dateert uit 1374.

Voorbeeld

Om uit een totaal van 746 exempla één representatieve te kiezen is bijna onbegonnen werk, dus hierbij een vrij willekeurig voorbeeld: exemplum 60 in de vertaling van Jaap van Moolenbroek onder de titel “Liefdestoverij en de duivel in Hasselo”:

“In Hasselo, een dorp in het diocees Utrecht, zette op zekere dag een beklagenswaardige vrouw haar voeten in een bekken, en danste daaruit achterwaarts met de woorden: ‘Hierbij dans ik uit de macht van God in de macht van de duivel’. Meteen greep de duivel haar. Hij tilde haar de lucht in, en voerde haar ten aanschouwen van velen in het dorp en daarbuiten over de boomtoppen heen, zodat ze tot op de dag van vandaag verdwenen is”.

Wie als smaakmakers nog meer titels nodig heeft: “De moordenaar Hildebrand te Holten”, “Broeder Bernardus over een demon in Nijvel”, “De luchtreis van Jeruzalemvaarder Wijnand uit Elsoo”, “De zwangere vrouw en de slang in Dulder”, “Een tournooi van doden bij Maastricht” en “Een duivelsverhaal van de gewezen Utrechtse proost Wigerus”.

Manuscripten en vertalingen

Het aantal handschriften waarin de Dialogus miraculorum bewaart is gebleven is op de vingers van één hand te tellen, maar dat is meer dan menig andere middeleeuwse tekst. Voorbeelden: de Düsseldorfer Codex, de Bonner Codex (1434) en de Kölner Codex (1440).

Al snel volgen er vertalingen in volkstalen die vervolgens via druk verspreid werden. De Dialogus miraculorum is tweemaal in het Middelnederlands vertaald (1418, 1460) maar niet integraal bewaard gebleven.

De meeste recente Latijnse tekstuitgave is die van Joseph Strange (2 dln.; Keulen, Bonn en Brussel) die redactioneel van goede kwaliteit is maar reeds dateert uit 1851. In de 1960-er jaren is hiervan een facsimile-uitgave verschenen die heden ten dage om niet als PDF is te downloaden.

In 1999 verscheen van de hand van Jaap Moolenbroek een moderne Nederlandse vertaling met commentaar van die exempla (61) die zich in de toenmalige Nederlanden afspeelden.

Een integrale vertaling in modern Nederlands verscheen van de hand van Prof. dr G.J.M. Bartelink: deel I in 2003 en deel II in 2004.

Ook de digitale verhalenbank van het Meertens Instituut bevat vertalingen van een paar exempelen, waaronder de Beatrijs.

  1. 3

    Leuk artikel!

    Recent onderzoek heeft aangetoond dat orale tradities qua nauwkeurigheid een bijzonder kort leven zijn beschoren. Daar zullen de optekeningen van Ceasarius niet onder te lijden hebben gehad.

    Gelukkig maar! Anders zou ik niet geloofd hebben dat een duivel werkelijk een vrouw mee de lucht in nam.

  2. 4

    Een grammatikaal detail:

    die uitblinken in voor die tijd historische betrouwbaarheid

    Blinken ze uit in historische betrouwbaarheid?
    of was de betrouwbaarheid voor die tijd historisch?

    (en de “t” van bewaart is gebleven moet geruild worden met de “d” van waarin hij bekend)

  3. 5

    De 11e en 12e eeuw kenden ook het verschijnsel van de pauselijke visitaties. Daarin werd gecontroleerd op de vraag hoe de kloosters in de praktijk omgingen met een aantal voorgeschreven kloosterregels.

    Deze 13e eeuwse onderzoekingen wijken daar behoorlijk vanaf.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

| Registreren