Duopolie | De één-armige econoom

COLUMN - Een wanhopige president Harry Truman vroeg zijn medewerkers ooit om een één-armige econoom, die niet altijd ‘on the one hand…on the other hand’ zou zeggen. Meer dan zestig jaar later lijkt er niet veel veranderd. Vorige week werd de Nobelprijs voor de economie toegekend aan economen met gedeeltelijk tegenstrijdige theorieën over financiële markten. De gevolgen waren sceptische bloggers en een paar negatieve commentaren op onze column over de efficiënte markthypothese. Dezelfde scepsis is voelbaar rondom het feit dat veel economen de crisis niet zagen aankomen en een recent schandaal waarin een invloedrijk artikel over de gevaren van overheidsschuld op een pijnlijke programmeerfout bleek te berusten. Er lijkt onder veel mensen een beeld te bestaan van economische wetenschap als een theoretische stijloefening die niets met “de echte wereld” te maken heeft. 

In een recent artikel weerspreekt vooraanstaand econoom Raj Chetty het idee van theoretische navelstaarderij. Hij betoogt dat economen juist veel aandacht besteden aan het wetenschappelijk testen van hun theorieën. Een blik op de inhoudsopgave van recente edities van vooraanstaande vaktijdschriften als de American Economic Review en de Quarterly Journal of Economics staaft deze bewering: het overgrote deel van de artikelen bevat een empirische analyse van beleidsrelevante vragen. Systematischer onderzoek laat zien dat dit al decennia het geval is.

In de laatste decennia is ook het gebruik van een stereotypisch wetenschappelijke methode, het gerandomizeerde experiment, toegenomen. In 2002 ging de Nobelprijs naar de ontwikkeling van experimentele economie. Lab- en veldexperimenten zijn inmiddels gemeengoed in de micro-economie en de ontwikkelingseconomie, waar randomizering van beleid mogelijk is door een gebrek aan geld voor dekkende toepassingen. Waar beleidsrandomizering niet mogelijk is gebruiken economen “natuurlijke experimenten” gebaseerd op toevallige variaties in omgevingskenmerken, en statistische technieken om verstorende invloeden weg te filteren. Deze methoden leiden tot systematische kennistoename.

Moeilijker ligt dit in de macro-economie, die zich bezig houdt met economische systemen en beslissingen die de hele economie beïnvloeden, zoals monetair beleid. Gecontroleerde experimenten zijn hier een stuk lastiger. Bovendien is de macro-economie een ongelofelijk complex systeem met een oneindig aantal variabelen, wat noodzakelijkerwijs leidt tot sterk gesimplificeerde modellen. Een ander probleem is dat macro-economische voorspellingen door beleidsmakers en marktdeelnemers worden gebruikt en daarmee zelf een onderdeel van de werkelijkheid vormen. Econoom David Levine merkt op dat een geloofwaardige voorspelling van een economische crisis op 28 oktober zou leiden tot een massale aandelenverkoop de dag daarvoor, waardoor de crisis op 27 oktober zou ontstaan en de theorie dus fout is.

Bij elkaar betekent dit dat men niet te hoge verwachtingen moet hebben ten opzichte  macro-economische voorspellingen. Dat is geen verwijt aan macro-economen: andere wetenschappen die grote complexe systemen bestuderen, zoals klimatologie of neurologie, hebben grotendeels dezelfde problemen.

Omdat veel interessante (en politieke) vraagstukken op macro-economisch gebied liggen blijft de één-armige econoom van Truman waarschijnlijk een illusie. Een realistischer metafoor komt van van de beroemde econoom Keynes. Hij schreef dat economen ernaar moesten streven zich te ontwikkelen als bescheiden en competente vaklieden, ongeveer op het niveau van een tandarts. Met die kwalificatie zou Duopolie best tevreden zijn.

  1. 1

    Het weer mag dan een hoogst complex systeem zijn, ik ben door de bank genomen – no pun intended – heel tevreden met het dagelijkse weerbericht, dat er vrijwel iedere dag in slaagt redelijk accuraat een aantal variabelen te voorspellen over een periode van een dag of vijf.
    Hebben economen – start small – eigenlijk ooit geprobeerd zo’n ‘korte-termijn voorspelling’ te maken van (ik noem maar wat) de beurs bijvoorbeeld?

  2. 3

    @Ries. De nobelprijs is vorige week precies daarvoor uitgereikt: het voorspellen van beurskoersen (zie de Duopolie van vorige week). De modellen voorspellen dat er op korte termijn geen manier is om “de markt te verslaan”. Dwz, een aap met een dartboard doet het net zo goed als een `expert’, en dat blijkt ook zo te zijn.
    Het verschil met de weersvoorspelling zit m in het feit dat de reacties van mensen op het weerbericht van overmorgen geen invloed hebben op het weer. Stel je daarentegen een economische “weerman” voor met een goede voorspellende reputatie die zegt dat over twee dagen de koers gaat stijgen. Dan koopt iedereen morgen aandelen, waardoor de koers morgen stijgt en de voorspelling teniet gedaan wordt. De economische theorie voorspelt dus dat de economische weerman nooit zal bestaan.

    Op langere termijn zijn beurskoersen wel enigzins voorspelbaar. Zie hier voor meer details.
    http://www.nobelprize.org/nobel_prizes/economic-sciences/laureates/2013/popular-economicsciences2013.pdf