Duits feed-in systeem is geen subsidie en niet royaal

OPINIE - Het Duitse systeem van terugleververgoedingen voor lokale elektriciteitsproducenten is geen marktverstorende subsidie. Integendeel.

In een verder goed geschreven en informatief artikel over de recente beslissing van het Europese Hof van Justitie over het beleid voor duurzame energie, herhaalt Energy Post de ongefundeerde stelling dat Duitsland geniet van een genereus subsidiesysteem.

Dit is onjuist – en het is belangrijk om ons dit te realiseren: het Duitse systeem van terugleververgoedingen (feed-in-tarieven voor – onder meer – leveringen van lokaal opgewekte elektriciteit aan het algemene stroomnet) is voordelig voor kleine bedrijven en coöperaties.

Nu wil de Europese Unie het systeem van terugleververgoedingen afschaffen, ogenschijnlijk vanwege de hoge kosten, maar in werkelijkheid staat vrijheid op het spel.

Voor veel Duitsers is het een raadsel waarom energie-experts in de EU het succes van de Duitse terugleververgoeding niet alleen weigeren te erkennen, maar ook niet in staat blijken het systeem correct te beschrijven.

De reden? Energie-experts buiten Duitsland denken dat de energietransitie moet worden geregeld door netwerkbedrijven en energieleveranciers, waardoor de Duitse bottom up-beweging een bedreiging vormt in plaats van een oplossing.

Energiecoöperaties hebben geen significante lobbygroep in Brussel. De eerste lobbygroep voor Duitse energiecoöperaties, is in november opgericht onder de paraplu van de DGRV (Deutscher Genossenschafts- und Raiffeisenverband) en werkt vooralsnog in Duitsland. De pers spreekt daardoor hoofdzakelijk met experts van grote bedrijven die door de energietransitie kunnen worden geraakt.

In een recent artikel in de Energy Post legt Sonja van Renssen de recente uitspraak uit van het Hof van Justitie, dat nationaal beleid wil beschermen ten koste van de internationale uitwisseling van elektriciteit binnen de EU.

Met de opmerking dat het Duitse energiebeleid ‘royale subsidies’ bevat, herhaalt ze een veelgehoorde klacht binnen de traditionele energiewereld. Maar Duitsland heeft geen genereuze subsidies voor duurzame energie. Het heeft een terugleververgoeding die, net zoals bij producten en diensten in de gezondheidszorg, afspraken bevat tussen overheid en industrie over prijzen om de winstgevendheid aan producenten en dienstverleners te garanderen en te hoge tarieven voor consumenten te voorkomen. Als je vindt dat de terugleververgoeding een subsidie is, kun je gezondheidszorg ook maar beter als subsidie beschouwen.

En als je denkt dat Duitse klanten slachtoffer zijn van de Energiewende, bedenk dan dat de bevolking het niet met je eens is; vooralsnog zijn er geen demonstraties geweest tegen de Duitse energietransitie. En verschillende mensen, van juridisch expert Matthias Lang tot Duitse journalist Gerd Rosenkranz, hebben opgemerkt dat het publiek een hoge elektriciteitsprijs accepteert in ruil voor de vrijheid om eigen energie op te wekken.

Als de terugleververgoeding geen subsidie is, is ze dan wel op zijn minst royaal?

Het verwachte rendement voor de Duitse teruglevering is 6 procent, wat veel minder is dan de gegarandeerde winst van ten minste 9 proces die Duitse netwerkbedrijven krijgen geboden. Deze bedrijven vinden die 9 procent overigens te karig, wat deels ook verklaart waarom de verbeteringen aan het Duitse elektriciteitsnet zo traag vorderen.

Via de rechter hebben de netwerkbedrijven vruchteloos geprobeerd het gegarandeerde rendement verhoogd te krijgen naar 11 procent. In de Verenigde Staten ligt het gegarandeerde rendement op ongeveer 12 tot 13 procent. Maar Bloomberg meldde in juni 2014 nog dat de gemiddelde winstmarge van de acht grootste Duitse nutsbedrijven in het afgelopen decennium 15 procent bedroeg – voordat ze last kregen van de energietransitie.

En dat terwijl er bij de terugleververgoedingen niet eens sprake is van een gegarandeerd rendement. Men spreekt simpelweg een prijs af per kilowattuur die aan het elektriciteitsnet wordt verkocht. De wet garandeert niet hoeveel kilowattuur je zult produceren, maar de prijs is zo samengesteld dat bij een goed functionerende generator, de winstmarge ongeveer 6 procent is.

Het bedrijfsleven houdt niet van zulke onzekerheden: toen het Verenigd Koninkrijk een feed in-vergoeding bood voor de nieuwe kerncentrale bij Hinkley was niet alleen de basisprijs vastgezet, maar ook het aantal aangeboden kilowatturen voor tientallen jaren – ongeacht de behoefte van de elektriciteitsmarkt. Een soortgelijke situatie is er bij offshore wind, dat grotendeels het domein is van grote ondernemingen. Dat laatste verklaart waarom in Duitsland de feed in-vergoeding voor offshore wind begint bij 19 eurocent/kWh gedurende de eerste acht jaar.

In plaats van de omzet over twintig jaar uit te smeren, kan de winst in de eerste acht jaar worden gerealiseerd, zodat bedrijven hun investering tweemaal zo snel terugverdienen. Dit betekent meer dan 12 procent rendement gedurende de eerste acht jaar, gevolgd door een break-even voor de resterende 12 jaar.

Anders is het bij onshore wind waar vanaf het begin van de periode van twintig jaar wordt gerekend met 6 procent rendement. Dat is aantrekkelijk voor kleinere investeerders. In een recent onderzoek hebben economen van het Duitse Instituut voor Economisch Onderzoek (DIW Berlijn) gevonden dat ongeveer de helft van alle windprojecten op land is gefinancierd door particulieren.

Het DIW onderschrijft dat grote investeerders een hoger financieel rendement willen dan kleine investeerders: waar kleine investeerders genoegen nemen met een rendement van 5 procent, raken grote investeerders pas geïnteresseerd bij een winst van 8 procent of hoger.

Aangezien de terugleververgoeding voor lokale producenten geen royale subsidies zijn, moeten we ze dus eigenlijk ‘betalingen’ noemen en beschrijven wat ze doen:

  • Miljarden euro’s aan investeringen vrijmaken van burgers die anders buitengesloten worden van de energiemarkt.
    Volgens de DGRV hebben energiecoöperaties samen 1,35 miljard euro geïnvesteerd in Duitsland. Dat is exclusief de 1 miljoen daken van woningen die gevuld zijn met zonnepanelen.

  • >Duurzame energie goedkoop maken.
    Duitsland heeft de laagste prijs ter wereld voor PV-systemen, deels omdat de winstmarge 6 procent is – en niet de door de bedrijven gewenste 12 procent – en deels doordat de terugleververgoeding de administratieve kosten en kapitaalkosten vermindert.

  • Mensen in de gelegenheid stellen hun eigen energie op een winstgevende manier op te wekken

  • Het mkb de kans geven te concurreren met grote ondernemingen.
    Dit in plaats van energiebronnen met elkaar te laten concurreren. De energietransitie heeft een mix van verschillende duurzame energiebronnen nodig. Als je die mix niet wilt, dan wil je de transitie niet.

  • Innoverende energiebedrijven de voorkeur geven boven behoudende.

EU-commissaris Günther Oettinger beweerde onlangs tijdens een vergadering met collega-christendemocraten in Duitsland dat burgers de Duitse energiesector hebben geïnfiltreerd met hun grassroots Energiewende-beweging.

Vertegenwoordigt de EU-energiecommissaris nu burgers of bedrijven? Zijn uitspraken zijn in lijn met Merkels nieuwe coalitie die van feed-in-tarieven naar veilingen wil overstappen om de invloed van lobbygroepen voor duurzame energie te reduceren.

Zoals beleidsonderzoeker David Jacobs heeft gedocumenteerd, heeft Brussel lang geprotesteerd tegen feed-in-tarieven als zijnde in strijd met het vrijemarktbeginsel. Het vaststellen van prijzen voor bepaalde energiebronnen zou namelijk betekenen dat energiebronnen niet met elkaar concurreren op de markt.

Brussel zou echter moeten erkennen dat feed-in-tarieven juist grotere concurrentie tussen bedrijven bieden. Daarentegen geeft de EU in haar nieuwe regelgeving voor staatssteun (gepubliceerd in april en ingevoerd vanaf 1 juli 2014) aan dat ze van deze feed-in-structuur af wil.

EU-lidstaten moeten overgaan op een concurrerend systeem van aanbestedingen. Duitsland streeft er naar om, in lijn met dit nieuwe beleid uit Brussel, in de komende drie jaar over te stappen op een werkwijze met aanbestedingen.

Feed-in-tarieven om zeep helpen zal de energietransitie echter niet noodzakelijkerwijs goedkoper maken. Allereerst zorgt afschaffen ervoor dat de transitie wordt teruggegeven aan de organisaties die daarin tot nu toe een kleine of zelfs negatieve rol hebben gespeeld.

Media zouden ten minste ook deze kant van het verhaal moeten vertellen. Veel mensen zullen anders verbaasd zijn als de kosten van de energietransitie stijgen na het elimineren van de feed-in-tarieven, wanneer hogere commerciële winstmarges hun intrede doen. En last but not least: je zou op een dag door je enegiebedrijf verrast kunnen worden omdat ze de energie van jouw zonnepaneel, windturbine of biomassacentrale niet meer hoeven.

Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd op EnergyPost.eu op 16 juli 2014, met als titel ‘Get this: Germany does not have generous subsidies for renewables‘. De vertaling is van de hand van Wouter Pustjens voor ODE Windnieuws. Het artikel wordt herplaatst op Sargasso met toestemming van Craig Morris (de auteur) , Wouter Pustjens en ODE Windnieuws.

Craig Morris is Amerikaan van geboorte en woont sinds 1992 in Duitsland. In 2006 schreef hij het boek ‘Energy Switch’ en hij schrijft regelmatig over de Duitse energietransitie. Hij is editor van Renewables International, hoofdauteur van EnergyTransition.de en directeur van Petite Planète en is te vinden op Twitter als PPChef.

  1. 1

    Dus energie-experts in de EU blijken niet in staat het systeem correct te beschrijven.

    De auteur van dit artikel is er bij mij ook niet in geslaagd het systeem duidelijk te maken. Waar kan ik een cursus volgen?

  2. 2

    “offshore wind begint bij 19 eurocent/kWh gedurende de eerste acht jaar … meer dan 12% rendement”
    Blijkbaar is dit vooral marktverstorend?

  3. 3

    Kolenprijs is Eur 60 per ton, brandstofkosten elektriciteit bij 40% rendement komen daarmee op 1,5 Eurocent per kWh. De niet royale en ook niet marktverstorende subsidie van 19 Eurocent is daarmee 12 x de marginale waarde van de elektriciteit. En dat is exclusief reservestelling en netinvesteringen. Als je die meetelt ga je zo richting 20 x tot 25 x de marginale waarde.

  4. 6

    @3 en dan begrijp ik dat de kolencentrales geschonken zijn door de fabrikant en in de kolencentrales werken vrijwilligers? Zo niet, dan is wat je beschrijft het minimum waarvoor een kolencentrale zal willen produceren, wat iets anders is dan de kostprijs. Volgens jouw redenatie zijn wind- en zonne-energie gratis. En dan hebben wel ‘te inderdaad nog niet gehad over alle negatieve externe effecten van kolenmijnen en kolencentrales, zoals @4 terecht opmerkt.

    @2 volgens mij is die 12% vooral nodig om commerciële partijen tot investeren te verleiden.

  5. 7

    @6: Spul staat er al, lopen of stilzetten heeft alleen effect op variabele kosten.

    Maar goed, deze discussie is achterhaald. Investeerders vertrouwen de continuiteit van de subsidieverlening niet, ze zien BARD1 technisch de mist in gaan en op land groeit de weerstand tegen molentjes exponentieel. Geen hond die nog gaat investeren in wind, zie ook de onderuitputting SDE.

    Verder heeft Kamp met zijn drie grote parken plan een nieuw procedureel moeras gecreeerd waarin de wind op zee plannen tot na de volgende verkiezingen in vast zitten.

    Die niet royale en ook niet markverstorende subsidies gaan in Nl daardoor helemaal niet betaald worden. Gelukkig maar!