De verontwaardiging van burgers is een kans voor de democratische rechtsstaat

Sommige politici, bestuurders en ambtenaren spreken over de boze burger alsof het een bijzondere soort betreft. Maar de verontwaardiging van burgers laat ook zien waar zij belang aan hechten en waar zij voor in actie willen komen, stellen Sarah L. de Lange en Jasper Zuure in de nieuwe bundel #WOEST.

Inwoners die protesteren tegen de komst van een asielzoekerscentrum, Turkse Nederlanders die boos zijn op de Nederlandse regering omdat een Turkse minister geen speech mag geven, de voor- en tegenstanders van Zwarte Piet, Groningers die zich verzetten tegen gaswinning en bewoners rondom Lelystad die de komst van een vliegveld willen tegenhouden. Het is niet moeilijk om in de afgelopen jaren voorbeelden te vinden van burgers die verontwaardigd of zelfs woest zijn op de overheid.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de verontwaardiging van burgers veel aandacht krijgt in het publieke debat. In 2017 sprak Asscher bijvoorbeeld over een ‘kakafonie van woeste woede’ en datzelfde jaar schonk Buma in zijn Schoo-lezing veel aandacht aan ’de boze burger’. Hoewel sommige politici, bestuurders en ambtenaren de boze burger op het schild hijsen, spreken andere gezagsdragers over de boze burger alsof het een bijzondere soortgenoot betreft. Deze ‘civis iratus’ zou niet voor rede vatbaar zijn, en daarom niet serieus genomen hoeven te worden.

Vaak liggen achter de verontwaardiging van burgers echter terechte zorgen, idealen en frustraties. Hun verontwaardiging laat zien waar zij belang aan hechten, waar zij voor staan en waar zij voor in actie willen komen. Verontwaardiging an sich is dan ook geen gevaar voor de democratische rechtsstaat. Het kan voor de democratie juist een informatieve functie hebben, doordat het politici, bestuurders en ambtenaren een beter beeld geeft van wat er leeft in de samenleving

Auto’s in brand, kogelbrieven naar burgemeesters

In de democratische rechtsstaat kunnen gevoelens van verontwaardiging, als het goed is, door bestaande mechanismes, zoals verkiezingen en referenda, in goede banen worden geleid. Zo hebben burgers de mogelijkheid om verontwaardiging te tonen door op andere of nieuwe politieke partijen te stemmen of zelf politiek actief te worden. Ook hebben zij dankzij bijvoorbeeld het recht op demonstratie ook mogelijkheden om hun verontwaardiging te uiten buiten deze traditionele politieke kanalen om.

Als verontwaardigde burgers echter de grenzen van de democratische rechtsstaat overschrijden, ontstaat een probleem. Zij kunnen dan bijvoorbeeld de openbare orde verstoren en, in extreme gevallen, geweld gebruiken tegen politieke vertegenwoordigers, medewerkers van de overheid of medeburgers. Denk aan de burgers die in de afgelopen jaren auto’s van wethouders in brand staken, burgemeesters kogelbrieven stuurden of de deur van een partijleider bekladden. Of aan de burgers die het heft in eigen hand namen en de weg naar Dokkum voor anti-Zwarte Piet-demonstranten blokkeerden en hen intimideerden.

Met verontwaardiging kan de rechtsstaat ook zijn voordeel doen

De democratische rechtsstaat zou voldoende veerkrachtig moeten zijn om zich te kunnen aanpassen aan snel veranderende omstandigheden. Deze omstandigheden betreffen onder andere de opkomst van mondige burgers en nieuwe communicatie- en mobilisatiemiddelen die zij tot hun beschikking hebben. Daarnaast zou de democratische rechtsstaten voldoende weerbaar moeten zijn om haar kernwaarden te beschermen. Helaas laten Polen en Hongarije zien dat de democratische rechtsstaat niet altijd opgewassen is tegen de krachten die haar dreigen te ondermijnen.

Wat opvalt aan de termen veerkracht en weerbaarheid is dat het vooral lijkt te gaan om verdedigingsmechanismes. De democratische rechtsstaat dient te reageren op schokken die haar bedreigen door zich hiervan te herstellen, zich hieraan aan te passen of hiertegen weerstand te bieden.

De vraag is of dit voldoende is voor de gewenste omgang met verontwaardiging. Het zijn immers reflexen of reacties die vaak pas komen wanneer de eerste klap al is verkocht of de eerste schok al heeft plaatsgevonden. En de veerkracht en weerbaarheid van de democratische rechtsstaat worden pas op de proef gesteld als burgers hun verontwaardiging uiten en daarbij grenzen opzoeken of overschrijden. Maar bovenal is verontwaardiging niet iets waartegen de democratische rechtsstaat zich altijd moet verdedigen, het is ook iets waar de democratische rechtsstaat haar voordeel mee kan doen.

Een antifragiel systeem wordt er sterker van

Wat dat betreft heeft de econoom en filosoof Taleb een interessant begrip geïntroduceerd. Hij spreekt over ‘antifragiliteit’: een antifragiel systeem weet zich niet alleen te herstellen van schokken, zich hieraan aan te passen of hiertegen weerstand te bieden, maar weet hiervan zelfs sterker te worden. Taleb geeft als voorbeeld het veelkoppige monster Hydra uit de Griekse mythologie waarvan voor elke afgehakte kop er twee terug groeiden.

Als de democratische rechtsstaat deze lijn van denken volgt, zou zij niet alleen moeten kijken hoe zij veerkrachtig of weerbaar kan zijn tegen verontwaardiging, maar ook hoe zij deze in haar eigen voordeel kan omzetten en zichzelf ermee kan versterken. Dit vereist dat zij niet alleen reactief, maar ook proactief opereert. Haar instituties dienen de kernwaarden van de democratische rechtsstaat niet alleen te beschermen, maar ook uit te dragen. Hierbij is een rol weggelegd voor het openbaar bestuur. Zoals Popper al stelde: ‘Institutions are like fortresses. They must be well designed and manned.’

De rol van het openbaar bestuur

In zijn klassieker Il Principe (De heerser) stelt Machiavelli dat een succesvolle heerser ‘virtù’ nodig heeft om met de ‘fortuna’ om te kunnen gaan. Het fortuin – de omstandigheden die niet te controleren zijn – is notoir wisselvallig, maar een succesvolle heerser weet op haar te anticiperen. Deze wijze les van Machiavelli is ook relevant voor gezagsdragers die in de 21ste eeuw geconfronteerd worden met burgers die boos, ontevreden of teleurgesteld zijn.

Gezagsdragers hebben namelijk een veelheid aan mogelijkheden om verontwaardiging te kanaliseren in de democratische rechtsstaat. Sterker nog, zij kunnen soms zelfs hun voordeel doen met deze gevoelens, en deze gebruiken om de democratische rechtsstaat te versterken.

Zij dienen hiervoor burgers duidelijk te maken waar democratische grenzen liggen, en wanneer deze grenzen worden opgezocht of zelfs overschreden. En zij dienen actief op zoek te gaan naar de oorzaken van de verontwaardiging van burgers en te kijken hoe zij deze verontwaardiging een plek kunnen geven in het democratisch proces. Wanneer dit laatste lukt, versterken zij de democratische rechtsstaat en maken zij deze antifragiel.

Kwetsbare en zelfkritische gezagsdragers

Net als een kabbelend beekje dat plotseling een onstuimige, woeste rivier kan worden, heeft de verontwaardiging van burgers de potentie aan te zwellen tot voor het openbaar bestuur onbeheersbare proporties. Enerzijds kan de kracht van deze verontwaardiging de democratische rechtsstaat verzwakken of vernielen, anderzijds kan deze de democratische rechtsstaat vernieuwen en versterken.

Verontwaardigde burgers vormen dus niet alleen een gevaar voor de democratische rechtsstaat, maar ook een kans omdat zij het openbaar bestuur dwingen zich open te stellen en te werken aan een antifragiel politiek systeem.

De uitdaging voor gezagsdragers is dat zij zich enerzijds kwetsbaar en zelfkritisch durven op te stellen als de situatie daar om vraagt, maar dat zij tegelijkertijd ook daadkrachtig blijven staan en strijden voor de kernwaarden van de democratie. Zij dienen zich onbevreesd voor te bereiden op de verontwaardiging van burgers. Het is de aanvaarding en organisatie van diversiteit en conflicten die de democratische rechtsstaat sterk maakt.

Machiavelli stelde al dat het de tegenstellingen waren tussen het volk en de senaat in Rome die de Romeinse Republiek vrij en machtig maakten. Dit verrassende inzicht laat zien dat een staatsvorm met ruimte voor de wrijving tussen geregeerden en regeerders een ideaal is dat het waard is om voor te blijven strijden.

Sarah L. de Lange is lid van de Raad voor het Openbaar Bestuur en bijzonder hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Amsterdam.
Jasper Zuure is senior adviseur bij de Raad voor het Openbaar Bestuur.

Dit artikel is een bewerkte versie van het inleidende hoofdstuk uit de bundel #Woest – De kracht van verontwaardiging, een publicatie van de Raad voor het Openbaar Bestuur die verschijnt bij Amsterdam University Press en verscheen eerder op Sociale Vraagstukken.

  1. 1

    The malevolents are proud knowing less stupidity than the benevolents.
    A question for Sye Ten Bruggencate (who wants a Christianation):
    Everything you say/preach, is that, yes or no, downgrade the same as “Believe in a good beginning!”.
    “no”. “Than you are a fool”.
    “yes”. “Then you are a fraud’.

  2. 2

    Mensen doen alsof dit nieuw is. Ik zeg: dit is een gevolg van decennialang pappen en nathouden. Krakers trokken hele straten open, gooiden wasmachines van de top van gebouwen, bekrasten auto’s, en de overheid? Ja, die deed ook af en toe eens wat. Wat voor voorbeeldwerking gaat daar wel niet van uit? In dit land – ik blijf het zeggen – word je, als je je als groep collectief maar lang genoeg slecht genoeg gedraagt, alleen nog maar in de watten gelegd. Zie ook zigeuners, voetbalhoolies en zekere immigranten. Handhaven is lastig, vermoeiend en gevaarlijk.

  3. 3

    Ik vind het een orgineel verhaal. Wat zijn nu concrete voorbeelden van de afgelopen 30 (?) jaar in Nederland (?) dat een institutie succesvol antifragiel geopereerd heeft. d.w.z. pro-actief met een verontwaardiging uit de samenleving “engaged” en daarmee als institutie sterker is geworden?

    Ik vind het moeilijk om goede voorbeelden te bedenken. Moet ik dan denken aan:
    – Nieuwe partijen (en die procedureel keurig ontvangen): Al die lokale partijen in de gemeenteraad? SP? de LPF, FvD?
    – Input NGO’s op natura2000
    – SER (sinds 1950)?
    – polder-overleg

  4. 4

    Als een bestuurder een volkswoede over zich heen krijgt, is mijn eerste reactie: “Dan had je maar fatsoenlijk moeten besturen.” En daaronder valt ook vooraf weten of zo’n woede terecht is, of vooral te wijten is aan slecht geïnformeerd zijn. Waarbij je in het eerste geval een ander bestuurlijk besluit moet nemen, bijvoorbeeld een waarbij je meer naar je kiezers luistert dan naar de lobbyisten.

  5. 5

    @4: “daaronder valt ook vooraf weten of zo’n woede terecht is, of vooral te wijten is aan slecht geïnformeerd zijn.”
    Zo presenteer je het wel al eens dichotomie. Het kan best zijn dat de woede onterecht is, ook als de betreffende groep hooivorkdragers goed geïnformeerd is. Een goed bestuurder durft ook onpopulaire maatregelen te nemen als dat nodig is, ongeacht de volgende volkswoede.

  6. 6

    @5: Het is een subtieler probleem: geld uitgeven bijvoorbeeld, kan nu, of later, of niet. Het kan aan het ene wel, en aan het andere niet besteed worden. Soms heeft het een investering-achtig karakter en is het enigszins risicovol. Meestal zijn er geldig-klinkende argumenten voor alle keuze-richtingen, maar 1 ding is zeker: geld *niet* uitgeven is *niet* populair. En als bestuurder wil je wel herkozen worden, al was het alleen maar om het geld misschien wel uit te kunnen geven op een meer opportuun (in jouw ogen) moment.

    Zo zadelen democratieën zichzelf op met schulden.

  7. 7

    @6: “1 ding is zeker: geld *niet* uitgeven is *niet* populair.”
    Dat is wel erg snel geconcludeerd. Ik ben er vrij zeker van dat de meerderheid van de Nederlanders bijvoorbeeld weinig heil ziet in geld uitgeven om boeren of vissers te subsidiëren. Alleen zal die meerderheid niet met tractors, hooivorken of andere attributen richting binnenhof rijden als de beslissing genomen wordt wél dat geld uit te geven, terwijl de heel kleine minderheid dat wel zal doen als het geld niet hun richting uit komt.