De toekomst van de stad

RECENSIE - De cijfers liegen er niet om. De wereld kent momenteel 28 ‘megasteden’ met meer dan 10 miljoen inwoners. Daarnaast zijn er 43 steden met tussen de 5 en 10 miljoen inwoners en 417 steden met tussen de een en vijf miljoen inwoners. Dat zijn er in totaal 488 boven de miljoen. Over maar vijftien jaar zullen die getallen flink gestegen zijn, naar resp. 41, 61 en 558 steden. In totaal 660. Op dat moment zal het overgrote deel van de mensheid in de stad leven.

En dat terwijl, zo waarschuwt Zef Hemel, economen nauwelijks enig benul hebben van de rol van de stad in de economie. Om van de planologen maar te zwijgen.

Aanklacht

Dat klinkt hard, maar de UvA-hoogleraar wil het hard spelen. Zijn boekje De toekomst van de stad heeft als ondertitel ‘Een pleidooi voor de metropool’. Dat is het ook – maar het is ook één lange aanklacht tegen de verwaarlozing van de stad door vrijwel alle andere zogenaamde deskundigen; met name in Nederland.

Ons land is “hopeloos achterop geraakt als het gaat om het van grootstedelijkheid” (p.12). Ons land..

doet in deze dynamiek nauwelijks mee. In plaats van grote steden heeft ons land de afgelopen eeuw een mengelmoesje gebouwd van uitgelegde steden, stadjes, uit hun kluiten gewassen dorpen, bijeengehouden door kluwen van wegen, spoorlijnen (…).

Dat klopt allemaal, en het is geen toeval. Het is het resultaat van een bewuste keuze door planologen en politici de afgelopen honderd jaar. De wereldstad stond voor verval, armoede en chaos. En dus werd heel bewust voorkomen dat een van de steden in de Randstad onbeperkt zou kunnen groeien, of dat deze steden elkaar in het Groene Hart zouden raken.

Leve de overvolle stad?

Hemel besteedt geen aandacht aan deze geschiedenis, hij wil die mentaliteit (die overigens niet typisch Nederlands is) vervangen door een andere visie, namelijk dat de extreme dichtheid, de grote tegenstellingen en de adembenemende chaos van de megastad juist goed zijn. Dat zij de motor vormen achter innovatie. In ‘De stad…’ barst hij regelmatig uit in een lofzang op de smerige wereldstad. Steeds vergezeld van de waarschuwing dat ingrijpen, élk ingrijpen, om wat daar gebeurt te sturen, alleen maar schadelijk is.

Te bewijzen valt zoiets natuurlijk niet. Hoe meet je innovatie? Wat, op welke termijn? Hoe meet je de mate van sturing door overheden? Hoeveel stedelijke ellende laten we bestaan, en weegt op tegen hoeveel innovatie?

Het enige dat we bezitten is de historie die ons vertelt dat steden vroeger ongelofelijk smerig en dodelijk waren – én dat ze de plaatsen waar de industriële en maatschappelijke revoluties plaatsvonden. We hebben de geschiedenis. Maar post hoc is nog geen propter hoc. Of moderner geformuleerd: in het verleden behaalde successen bieden geen garantie voor de toekomst. Kijk (excuus voor het cliché) naar Silicon Valley.

Argumentatie

Hemel komt dan ook niet verder dan het voortdurend herhalen van zijn mantra. En om die mantra aannemelijk te maken, moet heel wat oude wijsheid op zijn kop gezet.

Ten eerste de wijsheid dat de stad bestaat bij de gratie van het platteland. Nee, het waren niet de voedseloverschotten die de stad mogelijk maakten; het was andersom: de stad dwong de omliggende landbouwers om te innoveren, en zo overschotten te creëren.

Daaruit valt een les te trekken: concentreer je bij ontwikkelingshulp niet op het platteland, maar op de steden. Ga geen boeren steunen, hou toch op met die rurale ontwikkelingsromantiek, laat die boeren maar luisteren naar de tucht van de markt. Of zoals hij het bondig formuleert: “Pas als steden goed functioneren, kan hun achterland ook op orde komen.” Welke ‘orde’ dat is, wat er dan ontstaat, daar moeten we ons bij neerleggen.

Jane Jacobs

Hemel is een bewonderaar van de Amerikaanse journaliste Jane Jacobs, die in haar boek Death and Life of Great American Cities (1961) haar activisme tegen stadsvernieuwing in New York verdiepte tot een brede en voor die tijd zeer originele visie op het wezen van de stad.

Jacobs verwierp de droom om steden te plannen, aan te harken, strak te trekken, en ook de voortdurende pogingen te voorkomen dat steden ‘te snel’ zouden groeien. Juist die overvolle, onbestuurbare centra waren volgens haar de broedplaatsen van creativiteit, van de economie van de toekomst. Jacobs beschouwde élk ingrijpen onverstandig.

En Hemel lijkt het daar helemaal mee eens te zijn. Politici, stadsplanners, economen: ze begrijpen er (vrijwel) allemaal niks van. We hebben in ons land geen megastad, en ook niemand die de megastad begrijpt. Sinds vier jaar beschikt de UvA over een Center for Urban Studies, die deskundigheid op dit vlak moet bundelen. Hemel: “Samenhang ontbreekt.” En wantrouwen jegens de megastad regeert.

Pamflet

Hoe dit te doorbreken? Hemel (p. 13):

Een essay is niet voldoende. Alleen een tekst met de lengte van een boek en de kracht van een pamflet kan zoets bewerkstelligen.

Het is een boek geworden, en de toon is inderdaad die van een pamflet. Het vertoont ook de haast van een pamflet. De toekomst van de stad is een gedreven pleidooi, maar zonder kop of staart. De ordening in hoofdstukken is niet meer dan schijn, Hemel valt regelmatig in de herhaling en de tekst wordt ontsierd door gekke opmerkingen die de kritische lezer misschien nog meer irriteren dan het charmante gebrek aan hard bewijs (wat voor een pamflet natuurlijk geen doodzonde is).

Neem een wanhopige uithaal als:

Ondertussen valt de economische groei stil. Dat dit komt doordat de grote steden niet meer kunnen expanderen, wil men kennelijk niet horen.

Zoiets is toch hooguit goed voor een glimlach. En wat te denken van het bruggetje “Niet dat het allemaal koek en ei was.”(p. 117), wanneer hij het gaat hebben over de leefomstandigheden in Amerikaanse steden rond 1900.

Missers

Al te grote aandacht voor stedelijk ellende ontstaat doordat ‘neo-marxisten dikwijls in hele grote steden wonen’ (p. 119). En: “Een stad die zo’n reputatie van het aan de kaak stellen van sociale misstanden juist lijkt te missen, is Parijs.” (p. 121; nog nooit een Parijse krant gelezen, vrees ik). Of: “Londen was [in 1800] de grootste [stad] maar kwam niet verder dan 959.310 inwoners.” Dat klinkt me wat al te nauwkeurig.

En wat te denken van een redenering als (p. 178):

Sadats tegenstanders woonden in de slums van Bulaq (Caïro). Het leger dwong ze te verhuizen naar de periferie. Hun buurt veranderde in een parkeerterrein Sadat wilde destijds van Caïro een soort Los Angeles of Houston maken en had een plan om de stad volledig te herbouwen. De sloppenwijken moesten hiervoor wijken. (…) De woede in het Midden-Oosten die enkele jaren terug tot ontlading kwam tijdens de zogenoemde Arabische Lente was een stedelijke uitbarsting en een reactie op deze onderdrukkende politiek.

Tussen die opstand in Bulaq en de Arabische Lente ligt 35 jaar.

Of neem zijn bewering dat het Gemeentefonds in 1929 zou zijn opgericht door Den Haag, in reactie op de beurskrach in Wall Street met het doel om de socialistische stad Amsterdam kaal te plukken? (p. 192). En dan zwijg ik maar over de mededeling op pagina 147 dat Constantinopel in de vierde eeuw vóór Christus zou zijn gesticht. Zo zijn er nog veel meer vuiltjes aan te wijzen.

En fin

De stad heeft de toekomst, en die ziet er niet rooskleurig uit. Daar kan al dat modieuze gepraat over innovatie niets aan afdoen. In feite doet Hemel exact hetzelfde als zijn tegenstanders: hij denkt de toekomst te kunnen maken. Maar ook al blijft zijn centrale these onmogelijk te bewijzen, dat de (mega)stedelijke omgeving meer aandacht verdient, staat buiten kijf.

Daarin heeft Hemel groot gelijk. Maar misschien had hij het toch bij een kort pamflet moeten laten.

– Zef Hemel, De toekomst van de stad. Een pleidooi voor de metropool, Uitgeverij AUP, 19,95 euro.

  1. 2

    Het verhaal maakt inderdaad niet erg nieuwsgierig.
    Jane Jacobs is prima als intellectueel voedster. Maar ik denk steeds aan het verhaal van Niek de Boer, “De Randstad bestaat niet”. Met een scalpel fileert hij het anti-grootstedelijk denken in Nederland. Komt hij als peetvader in het pamflet voor?
    Wat de verhouding stad en platteland betreft: de stad is de poel des verderfs, zondigheid, chaos en hoererij, het platteland een oase van rust, wijze boeren en productie van voedsel. Het is een beetje monocausale onzin, die bij ons protestantse moralisme past. Je kunt ook kijken naar markten, schaal van landbouwproductie en dergelijke factoren.

  2. 3

    In de NRC van 29 september jl een goede reactie op Hemels stuk door Prof. mr. Friso (praktijkhoogleraar Gebiedsontwikkeling aan de TU Delft):
    “(…) Hemels stelling dat megametropolen economisch robuuster zijn, mist grond. Kijk naar de ondergang van Detroit, een agglomeratie van vijf miljoen inwoners. Het draait niet om de omvang van de agglomeratie, maar om diversiteit in economische activiteiten, wendbaarheid en aanpassingsvermogen. En om krachtige, lokale coalities van bestuur, bedrijfsleven en kennis. Daarom staan Boston, Eindhoven en Bordeaux er nu goed voor.

    Voor ons eigen land gelden nog extra redenen om het pleidooi van Hemel te verwerpen. Nederland kent een relatief kleinschalige stedelijke structuur. Dat heeft meer voor- dan nadelen. De afwisseling tussen stadsbebouwing, voorzieningen, groene ruimte en water op korte afstand waarderen wij. ‘Nabijheid’ is het sleutelwoord. Ook internationaal vindt onze verstedelijking erkenning.

    Concentrische megasteden kampen met scheiding van inwoners naar welstand en inkomen. Londen is daarvan een voorbeeld. Hoge huizenprijzen in centrale delen van de stad drukken de werkenden mensen steeds verder naar de buitenkant van de stad. Reistijden lopen op tot meer dan drie uur. Kleinere, maar complete steden voorkomen deze vergaande segregatie en hebben dus ook uit sociaal oogpunt voordelen.”

    Ik denk dat meneer De Zeeuw het niet erg vindt hier geciteerd te worden.

  3. 5

    Broedplaatsen van activiteit en creativiteit, prima hoor, maar waar vind de mens dan zijn rust? Waar kan de mens dan nog afstressen? In de natuur, zegt u? Maar hebben we die nog dan als we van NL één grote (voor zover dat kan in dit kleine landje natuurlijk) megastad maken?

  4. 6

    @: “.. de historie die ons vertelt dat steden vroeger ongelofelijk smerig en dodelijk waren – én dat ze de plaatsen van de industriële en maatschappelijke revoluties”
    – smerig en dodelijk is te verklaren uit gebrek aan basisvoorziening als schoon water en afvalverwerking. Buiten de stad ontbraken ook die voorzieningen! Ook steden kennen groei en krimp, waarom daaraan voorbijgaan. De onderlinge groei van steden verschilt ook aanzienlijk.

    Waarom zoveel aandacht aan een stuk “zonder kop of staart” met weinig argumenten en veel herhalingen?

    @3: “Concentrische megasteden kampen met scheiding van inwoners naar welstand en inkomen”
    – een dergelijke scheiding is niet beperkt tot “megasteden” en het verband met de vorm (concentrisch) ontgaat me.
    @3: “complete steden voorkomen vergaande segregatie”
    Inhet verleden met slecht transport waren de meeste steden ” compleet, evengoed met grote verschillen.