De ontmaskering van de vooruitgang

In de recente Franse film La Famille Bélier maakt de hoofdpersoon (een aandoenlijk zingend Frans boerenmeisje, dochter van dove ouders) kennis met een jongen die in Parijs gaat studeren. Een romantische film, dus. En wat gaat haar wereldwijze geliefde studeren? Antropologie. Bij een oude dame in een duistere kamer, vol boeken.

Het is een fraaie illustratie van de vooraanstaande positie die deze wetenschap in het Franse intellectuele milieu nog steeds heeft. Niet (langer) de psychoanalyse, niet de sociobiologie of de natuurkunde maar de antropologie zou de gouden weg zijn naar fundamentele kennis. Zij laat ons de mens zien zoals hij is – met dank uiteraard aan Claude Lévi-Strauss, de vermaarde antropoloog die door zijn bewonderende studenten ‘dieu’ werd genoemd.

Wetenschap en superioriteitsdenken

Teruggekeerd uit de tropen zou de antropoloog de westerse beschaving kunnen ontrafelen. En daarmee ook gelijk een einde maken aan haar eigen wortels: de overtuiging dat ‘wij’ objectief onderzoek kunnen doen aan ‘zij’. En ook de vraag beantwoorden waarom ‘wij’ westerlingen denken dat we ‘anders’ zijn dan andere volken. Dat we ‘speciaal’ zijn en voorop lopen op de rest van de wereld. Die door ons westerlingen bedachte kloof moest verklaard, gedeconstrueerd, gedicht.

Die vraag naar de reden voor de westerse superioriteit zou een eeuw geleden vrij snel beantwoord zijn. Volkeren maken nu eenmaal een ‘natuurlijke’ ontwikkeling door en de westerse beschaving loopt voorop. De redenen daarvoor lagen ergens diep in de geschiedenis (of het ras) verborgen.

Driekwart eeuw later was het antwoord op die vraag een stuk gecompliceerder. Van het hele concept ‘westerse beschaving’ was toen eigenlijk nog maar één ‘uniek’ aspect over, en dat was de wetenschap.

De ontdekking van de wetenschap had het westen in de zestiende en zeventiende eeuw dat mooie duwtje in de rug gegeven, richting wereldheerschappij. Maar aangezien iedereen dat trucje inmiddels kende, was die mooie tijd (bijna) voorbij.

Thomas Kuhn

En de wetenschap zélf wankelde ook al. In die jaren zestig/zeventig van de vorige eeuw werd er driftig aan de poten van de wetenschap gezaagd.

In ‘The Structure of Scientific Revolutions’ (1962) had de Amerikaanse wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn aangetoond (vond hij) dat de wetenschap geen simpele lineaire ontwikkeling kende, zeg maar van minder naar meer kennis, maar dat ze zich ontwikkelde via fundamentele ‘paradigmawisselingen’, waarbij de ene set theorieën en experimenten ingewisseld werd voor een compleet andere. (Kuhn ging vooral in op de Copernicaanse revolutie.) Die sets zouden volstrekt onvergelijkbaar zijn.

Kuhn hield nog vol dat opeenvolgende paradigma’s nog steeds een ontwikkeling lieten zien namelijk een steeds groter ‘puzzel oplossend vermogen’, maar juist dat onvergelijkbaar zijn haalde het oude geloof in wetenschappelijke vooruitgang grondig onderuit. Opeenvolgende paradigma’s weerspiegelden geen objectieve vooruitgang – maar wat dan wel? Hoe moeten we die afwisseling duiden?

Kuhns voorzichtige twijfel werd beantwoord door de ‘sociology of scientific knowledge,’ een stroming die elk gepraat over (objectieve) vooruitgang afwees en ter verklaring van paradigmawisselingen niet verder wilde kijken dan maatschappelijke ontwikkelingen. De wetenschap was vergelijkbaar met politiek, en vertoonde modes en hypes.

Bruno Latour

Het was in deze verwarrende tijden dat de Franse filosoof Bruno Latour naar voren trad. In zijn speurtocht naar een wetenschap om de wetenschap (en de samenleving die haar schiep) te bestuderen, verwierp ook hij de ‘klassieke’ wetenschapsfilosofie en het vooruitgangsmodel.

Zijn analyse luidde dat de wetenschap gebaseerd was op een westerse illusie, namelijk het onderscheid tussen ‘mens’ (de ‘atoom’ dat cultuur en samenleving schept) en ‘niet-mens’: de moleculen en atomen die het onderwerp zijn van de natuurwetenschap. Met als gevolg dat westerlingen fundamenteel anders aankijken tegen sociale en natuurwetenschappelijke theorieën, en dat ze denken dat exacte wetenschappers, door het bestuderen van alles wat ‘niet-mens’ is, volkomen los zouden staan van de samenleving.

Niet-westerse volken zouden geen last hebben van de illusie dat mens en niet-mens volstrekt gescheiden wereld zijn. Bij hen kan de hemel nog écht vertoornd zijn, zoals antropologische studies laten zien.

Daarom houdt Latour in ‘Wij zijn nooit modern geweest‘ (1991) een pleidooi voor het loslaten van de antropologen op de westerse samenleving. Zij zouden met behulp van hun modellen en methoden het westen ‘doorzien’ en die westerse illusie ‘anders’ te zijn, kunnen doorbreken. Dan zouden we inzien dat de wetenschap ons niet steeds meer leert, maar slechts een machtsmiddel is dat ons steeds afhankelijker maakt van het systeem, ofwel (in Latours woorden) de samenleving steeds dichter, complexer maakt (blz. 179):

De wetenschappen en technieken zijn niet zozeer opmerkelijk omdat ze waar en doelmatig zijn – die eigenschappen worden hun als vanzelfsprekend toegeschreven, en om geheel andere redenen dan de redenen die de epistemologen aanvaardden – maar omdat ze het aantal niet-mensen doen toenemen die in dienst staan van het tot stand brengen van collectieven en omdat ze de gemeenschap die wij samen met de zijnsvormen scheppen hechter maken.

En daarmee is er ook geen verschil met de manier waarop niet-westerse volkeren de niet-menselijke wereld om hen heen interpreteren – en gebruiken om de gemeenschap te versterken, te sturen.

Bijl aan de wortel van het Westers denken

Het is geen eenvoudig proza, dat van Latour. Maar wie zijn best doet, ziet heel scherp een indrukwekkende bijl liggen aan de wortel van het westerse denken.

Tegelijkertijd is die bijl nooit gebruikt. Misschien omdat de sociologen en antropologen die zich letterlijk op wetenschappelijk terrein begaven, om de wetenschappers te observeren, niet bepaald gastvrij werden ontvangen. En hun ideeën vonden daar zo mogelijk nog minder gehoor. Er bleek al snel een nieuwe kloof te bestaan, die uiteindelijk niet werd gedicht, maar simpelweg verdween.

Omdat de hele antropologie, na een laatste linkse opleving in die jaren zeventig, in een diepe existentiële crisis verzonk en bijna een vergeten wetenschap is geworden. En de sociologen vonden andere, vruchtbaarder terreinen. En de wetenschappers? Zij ploeterden voort, publish or perish, voor hun prestige, het instituut of het bedrijfsleven. Voor eigen of andermans macht. Maar natuurlijk in de hoop de niet-menselijke wereld ooit te begrijpen. Van dat laatste waren en zijn ze rotsvast overtuigd.

Bruno Latour, Wij zijn nooit modern geweest, Boom Klassiek, 250 blz. 24,90 euro.

  1. 1

    Misschien hebben we gewoon en verkeerd beeld van wat wetenschap inhoudt. Misschien kunnen we wetenschap beter vergelijken met een gereedschapskist. Voor iedere situatie hebben we een aparte theorie die goed werkt en zolang het werkt ga je niet snel over op iets anders. Alleen als het echt niet meer kan gaan we over op een nieuwe theorie en dan alleen in de situaties waar dat nodig is. Het streven is dus niet zozeer naar vooruitgang als wel naar bruikbaarheid. De wetenschap die we aan de vooravond van de industriële revolutie ontwikkeld hebben bleek precies datgene wat we nodig hadden om bijvoorbeeld stoommachines te bouwen die ook een praktische waarde hadden.
    Misschien kwam de wetenschap ook gewoon op omdat ze nodig was in die tijd. Ook dan is er geen streven naar vooruitgang maar slechts streven naar bruikbare kennis.

  2. 2

    Wat maakt het uit hoe wetenschappers en ingenieurs denken en leven? Het is wel grappig om een ruzie in een lab te documenteren, maar het heeft zo weinig waarde. Dat is geen bijl aan de wortel van de Westerse beschaving (die overigens uit veel meer dan wetenschap bestaat: zoals organisatie van de staat, kunst en nijverheid). Wat wetenschappers en ingenieurs ontdekken en maken bestaat los van hen en hun gedachten. Wie dat ontkent, ontkent een objectief meetbare werkelijkheid en vervalt in religieus gebazel. Het is dan ook niet verrassen dat het enige dat Latour heeft voortgebracht een hoop woorden is, net als Heidegger en Derrida, die een vaag gevoel aanspreken maar nooit de grond raken.

  3. 3

    Blah blah blah nobele wilde en andere romantische blah blah blah. Wetenschap kan alleen floreren in een open maatschappij. Ergens waar je dingen moet inhouden om politieke redenen, of waar je moet produceren of je wordt dood gemaakt, daar kun je niet floreren. En toch is nog steeds 70% van deze wereld op deze manier ingericht.

    En dan stellen we rare vragen over waarom het hier goed gaat?

  4. 4

    Transities als gevolg van informatie en technologische entropie: Zo zouden we kennisparadigmashifts ook kunnen zien, en maatschappelijke ontwikkelingen ook, net zoals we economische ontwikkelingen vaak bezien. Dat beïnvloedt wetenschap, politiek, kunst, industrie, sociale interactie, leven, gezondheid, welzijn, de wereldgeschiedenis, zonder hokjes, onvermijdelijk op steeds dezelfde manier (en is compatible met kuhn en latours, klassieke oude wetenschapsfilosofiemeuk for babyboomers t/m generatie x en ingehaald).

  5. 6

    Dit komt behoorlijk ouderwets op me over. De oorzaken van de twijfel aan de vooruitgang zijn niet genoemd: extreem gewelddadige oorlogsvoering die sinds 1900 niet alleen miljoenen militaire slachtoffers heeft gemaakt maar ook enorm veel burgerslachtoffers – het genie Einstein is voor mij toch ook echt verbonden aan de honderdduizenden burgers die in Hiroshima en Nagasaki zijn vermoord met het ultieme wetenschappelijke hoogtepunt van de kernfysica. Je kunt de fantastische logistiek van de jodenvervolging ook tot “vooruitgang” rekenen. Waarschijnlijk ligt de logistiek om mensen met containers over heel de wereld te verslepen, naar wat voor gruwelijke bestemming ook, min of meer klaar in de handboeken. Burgerslachtoffers zijn sindsdien een vanzelfsprekend onderdeel van oorlogen en burgeroorlogen.
    En na de tweede wereldoorlog is ook steeds duidelijker geworden dat die wereld voor ons helemaal niet meer zo nuttig is, als we die met onze moderne technieken alleen maar vervuilen, vergiftigen en en vernietigen. Ook mensen in andere culturen en samenlevingen zien de wetenschap inmiddels als een gereedschap, als bruikbare kennis. Die mensen (en nog steeds veel mensen in het westen) blijven de gereedschappen nog steeds gebruiken, misschien verwachtend, maar niet geïnteresseerd, dat de problemen wel worden opgelost door “de wetenschap”.
    Deze overwinnaarsmentaliteit vind je dus inmiddels over de hele wereld. De plastic rotzooi in de buik van vissen en zeevogels komt echt niet alleen uit West-Europa, meer ook uit India, Afrika en China.

    Vooruitgang betekent inmiddels voor tamelijk veel andere mensen: het creëren van een gezonde, leefbare wereld voor iedereen, die niet door die andere “gereedschappen” te niet kan worden gedaan, het vinden van om de huidige onleefbaarheid en gevaren in de huidige wereld te niet te doen. Een ecologisch of holistisch perspectief. De wetenschappers zijn er, op medisch, natuurwetenschappelijk, biologisch gebied en ze zijn in samenlevingen van verschillende culturen terug te vinden, maar ik ben benieuwd of ze ooit zo’n status en waardering zullen krijgen als de bedenkers van een AK-47, stealthtechnologie, lasers of plastic verpakkingen.

  6. 7

    Einstein is voor mij weer verbonden met de relativiteitstheorie.
    Die man heeft dingen ontdekt waar we cultureel of fysiek (hoewel?) niets aan hebben, maar die van een ontzagwekkende importantie is. Onze kijk op tijd, verandering enz zal nooit meer hetzelfde zijn. En sluit mooi aan op vergezichten welke grote geesten in het midden oosten, India en China in een ver verleden al ontdekten.

    Oh ja, die atoombommen. Wellicht bleef daardoor de koude oorlog ook koud. Verder niet zo interessant.