De noodzaak van techniekkritiek

ACHTERGROND - In digitale tijden is fundamentele techno-kritiek een noodzakelijke voorwaarde voor een gezond geestelijk klimaat, vindt filosoof en publicist Hans Schnitzler.

‘Technologische vooruitgang is niet te stoppen, je ertegen verzetten heeft weinig zin.’ Deze veelgehoorde techniekperceptie gaat vaak gepaard met een tweede vooronderstelling: verzet tegen techniek wordt ingegeven door angst. Angst voor de vooruitgang of het onbekende, goed te vergelijken met de vrees die de introductie van het schrift of de komst van de eerste stoomtrein inboezemde. Niet alleen buiten de kring van techniekdenkers, ook binnen die kring schijnt menigeen zich goed in dergelijke common sense-gemeenplaatsen te kunnen vinden. In Nederland is de vooraanstaande techniekfilosoof Peter-Paul Verbeek een hartstochtelijk pleitbezorger van deze communis opinio.

Het is een stellingname die het techniekdebat knevelt en kortwiekt nog voordat het goed en wel op stoom is gekomen. Enerzijds worden critici die de bedreigende kanten of risico’s van techniek onder de aandacht brengen, bij voorbaat gedesavoueerd als irrationeel. ‘Techniekpessimisten’ laten zich immers leiden door angst. En omdat angst een slechte – lees: irrationele – raadgever heet te zijn, hoeft met dergelijke raadgevers niet serieus te nemen. Strikt genomen moet men de techniekwaarschuwingen van filosofische zwaargewichten als Martin Heidegger, Hannah Arendt of Michel Foucault, dan eveneens terzijde schuiven als irrationeel. En zo smoort men zowel het intellectuele als het maatschappelijke debat in de kiem.

Anderzijds creëert deze techniekbenadering een verraderlijke dode techniekhoek. Door techniek als een natuurkracht voor te stellen (‘niet te stoppen’), verliest men het zicht op de economische doelrationaliteit die ten grondslag ligt aan veel hedendaagse innovaties. Digitale waarden als snelheid, flexibiliteit, connectiviteit en transparantie zijn in de eerste plaats marktwaarden gericht op het vangen en kanaliseren van de aandacht van consumenten.

Daar waar de industriële revolutie draaide om de toe-eigening en exploitatie van menselijke spierkracht, draait de digitale revolutie om de toe-eigening en exploitatie van de menselijke geest, om het ontginnen en vermarkten van zijn verlangens, wensen en voorkeuren. We zijn getuige van een productieproces waarin het accent is verlegd van materiële manipulatie naar geestelijke manipulatie.

Door techniekkritiek weg te zetten als een irrationele strijd tegen het onvermijdelijke, blijft men blind voor de allerminst irrationele of onvermijdelijke marktdynamiek die de huidige techno-wetenschappelijk omwenteling in gang heeft gezet en in gang houdt. Sterker, gezien de exponentiële snelheid en alomvattendheid waarmee de digitalisering van onze leefwereld momenteel gestalte krijgt, houdt maatschappij- of cultuurkritiek per definitie techniekkritiek in.

In digitale tijden staan burgers en consumenten in toenemende mate onder toezicht van metadata en enigmatische algoritmen en verhuizen de centra van de macht naar anonieme datacenters. Hierin schuilt de werkelijke en actuele betekenis van het woord technocratie. In zo’n wereld is fundamentele techno-kritiek een noodzakelijke voorwaarde voor een gezond geestelijk klimaat.

Techniekfilosofen als Peter-Paul Verbeek menen dat het verstandiger is mee te buigen met het onvermijdelijke. Volgens hen is weerstand bieden tegen technologische innovaties weinig productief. Wie nieuwe techniekvindingen op een betekenisvolle in zijn bestaan wil integreren, kan beter zij aan zij met de innovaties meewandelen om aldus de waarde van het betreffende artefact te bepalen.

Men moet evenwel over bovenmenselijke loopkwaliteiten beschikken om de snelheid en dynamiek van de hedendaagse techniekhordenloop bij te benen. Het moordende innovatietempo van de ‘Silicon Valley’-industrie gunt de consument eenvoudigweg geen tijd zich aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen. De sociale werkelijkheid holt voortdurend – nu meer dan ooit – achter de techniekfeiten aan. Er is kortom een discussie nodig over de fundamenten waarop onze technotoop gebouwd wordt.

Dat vergt een politiek en maatschappelijk debat over de sociaaleconomische voorwaarden waaronder de inrichting van onze samenleving plaatsvindt. Het vereist een discussie die verder reikt dan een analyse van bepaalde techniekvindingen of de vraag wat de morele impact is van specifieke hoogtechnologische kunstjes. De digitale revolutie is eerst en vooral een strijd om onze aandacht. Een strijd waarin de internetindustrie aan de winnende hand is. Gevolg: eigentijdse pathologieën als aandachtstoornissen, hyperactiviteit, infobesitas en concentratieverlies.

Wanneer de filosoof Herbert Marcuse gelijk heeft dat individuele stoornissen de gestoordheid van het geheel weerspiegelen, dan is gezonde techniekschroom juist vandaag de dag noodzakelijk. Niet alleen ter stimulering van de geestelijke hygiëne, maar bovenal ter cultivering van een kritisch bewustzijn ten aanzien van de ideeën en intenties van de revolutionaire voorhoede van onze tijd: de whizzkids, marketeers en CEO’s van bedrijven als Google of Facebook.

Om deze reden verschijnt komend najaar mijn pamflet Het digitale proletariaat bij de Bezige Bij.

Hans Schnitzler is filosoof en publicist.

Dit artikel verscheen eerder op het weblog Intieme Technologie.

  1. 2

    Mooi artikel!

    Sterker, gezien de exponentiële snelheid en alomvattendheid waarmee de digitalisering van onze leefwereld momenteel gestalte krijgt, houdt maatschappij- of cultuurkritiek per definitie techniekkritiek in.

  2. 3

    @0: “Dat vergt een politiek en maatschappelijk debat over de sociaaleconomische voorwaarden waaronder de inrichting van onze samenleving plaatsvindt.”
    – Alleen een debat of ook een (politieke) keuze onder welke voorwaarden, op welke wijze en voor wie technieken in de maatschappelijke praktijk worden toegelaten?
    Jammer dat dit punt wordt ontweken.

  3. 4

    Ik keek toevallig laatst deze lezing (Technology and Society) van Neil Postman.

    Inderdaad een interessant en belangrijk onderwerp. De vragen die we onszelf bij de grootschalige toepassing van iedere nieuwe technologie zouden moeten afvragen zijn, volgens Postman:

    1) Voor welk probleem is deze technologie de oplossing?
    2) Wiens probleem is dat überhaupt?
    3) Welke nieuwe problemen brengt de toepassing van deze technologie met zich mee?
    4) Welke mensen, en welke instituties, zullen het meeste verliezen bij de invoering van deze technologie?
    5) Welke veranderingen in taal zal deze technologie teweegbrengen, en wat wordt daarmee gewonnen en/of gaat daarmee verloren?
    6) Welke mensen, en welke instituties, winnen politieke en/of economische macht door het toepassen van deze technologie?

  4. 6

    @5: Hij is een echte conservatief die hoopt dat we heel zorgvuldig proberen in te schatten welke nieuwe dingen ook goede dingen zijn.

  5. 7

    @6:

    Ah, zo. Ik had een beetje moeite met het begrijpen van wat hij nou zegt. Het leek een hoop gebakken lucht en weinig concreets. Als hij nou hier en daar een kernzin, een conclusie of een suggestie erin had gestopt was het een begrijpelijker stuk geweest.

  6. 9

    Angst voor de vooruitgang of het onbekende (…)

    Technologische vooruitgang kost geld. En dat heeft niet iedereen. De vruchten van de vooruitgang vallen daardoor veelal in handen van de machthebbers en/of de rijkeren. Zij krijgen de drones, de afluisterinfrastructuur, de kentekenregistratiecamera’s, de big-data-marketinginstrumenten en de gepatenteerde superzaden. Ondertussen vervangen ze de uw leuke baantje door saai werk (callcenters, magazijnmedewerkers). Zo onbekend is het dus niet: een uitzondering daargelaten leidt technologische vooruitgang veelal tot meer ongelijkheid.

  7. 10

    “Het is een stellingname die het techniekdebat knevelt en kortwiekt nog voordat het goed en wel op stoom is gekomen. Enerzijds worden critici die de bedreigende kanten of risico’s van techniek onder de aandacht brengen, bij voorbaat gedesavoueerd als irrationeel.”

    Het tegenovergestelde, de angst voor technologie dus, is een ontkenning van het feit dat technologie zelf neutraal is en het altijd mensen zijn die voor de problemen zorgen, met of zonder techniek. Het is heel gevaarlijk om die verantwoordelijkheid als mens te ontkennen. Robots hebben (nog) geen gevoel van medelijden, ze hebben echter ook geen last van sadisme, peer pressure, hebzucht en machtshonger.

  8. 11

    @9: “een uitzondering daargelaten leidt technologische vooruitgang veelal tot meer ongelijkheid”
    Uitzonderlijk??
    De machtverschillen in een feodale staat zijn in het algemeen groter dan in technisch ontwikkelde staten.
    Machthebbers kunnen wel met mis/gebruik van techniek hun machtspositie versterken.

  9. 12

    @9

    Technologische vooruitgang vereist een technisch kundige bevolking, dat vermindert over het algemeen de ongelijkheid (de elite kan het zich niet meer veroorloven alleen hun kinderen onderwijs te geven). Daarnaast zijn politieke keuzes rondom ongelijkheid precies dat, politiek, menselijk dus.

  10. 13

    Ik word altijd wat giechelig van dit soort stukken. Zoveel dode-filosofenverering op het altaar van deze “wetenschap” zonder empirie, het atheïstische zusje van de theologie.

    Mystiek zoeken in enigmatische algoritmen en de duivel vinden in de macht der anonieme datacentra. Als je het uitkleedt is het niks en staat er niks, maar het klinkt fantastisch.

  11. 15

    Erg veel veronderstellingen in dit stuk, en conclusies die niet direct uit die veronderstellingen getrokken kunnen worden. Dat is altijd het probleem van brede filosofische betogen. Het vervalt dan al snel in stromannen.