De invloed van de spindoctors

Met het vorige week zondag gepresenteerde Haagse Fluisteraars van Nieuwspoortvoorzitter en VN-columnist Max van Weezel hebben we binnen een jaar de beschikking over twee publicaties die de maakbaarheid van de Haagse politiek van binnenuit beschrijven. Waar Joris Luyendijk zich in zijn Je hebt het niet van mij, maar… vooral richtte op de invloed van lobbyisten en media op de ´vierkante kilometer rond het Binnenhof`,  lijkt Van Weezel in de PA´s (politiek adviseurs) een grote bedreiging van een zuiver politiek spel te zien, en bovendien één van de oorzaken voor de val van Balkenende IV.

Aan de hand van onder meer gesprekken met hoofdrolspelers toont hij hoe de politieke communicatiesector zich in de laatste jaren als een inktvlek over het Binnenhof heeft verspreid. Na een korte inleiding waarin hij een aantal kabinetten en kabinetsformaties uit de afgelopen vijftig jaar behandelt, komt hij via de kabinetten-Balkenende I, II en III, al snel uit bij het meest recente samenwerkingsverband tussen CDA en PvdA (22 februari 2007 – 20 februari 2010). Juist in dit kabinet is de rol en invloed van de politiek adviseurs het duidelijkst zichtbaar.

Wat volgt is een vlot geschreven, zeer lezenswaardige beschrijving van de wijze waarop bewindslieden elkaar, via hun PA’s, in het beste geval nauwkeurig in de gaten hielden, maar veel vaker probeerden zwart te maken door te lekken naar de media of een sterk negatief beeld van een minister, staatssecretaris of partijprominent te creëren.

De politiek adviseurs leken zich daarbij niet of nauwelijks te bekommeren om het overheidsbeleid, maar richtten zich vooral op het imago van ‘hun’ minister. Dat leidde er op een gegeven moment zelfs toe dat veelvuldig uit de ministerraad geklapt werd en journalisten op die manier een zeldzame cockpit view kregen van de verziekte verhoudingen tussen de PvdA- en CDA-bewindslieden en het gebrek aan regie van de premier.

Zo scheen Balkenende er niet in te slagen een vergadering van de ministerraad tot een goed einde te brengen, kwam een jaloerse Wouter Bos na ruggespraak met zijn fractie regelmatig terug op eerder gedane toezeggingen en gedroeg een verongelijkte Donner zich als een klein kind, door in onderhandelingen geen duimbreed toe te geven en steeds opnieuw de vinger op de zere plek van de sociaaldemocraten te leggen.

In sommige gevallen werden er bewust pogingen gedaan de medebewindslieden in een kwaad daglicht te stellen. Bekend is inmiddels de van tevoren afgesproken strategie om Wouter Bos als zijnde onbetrouwbaar neer te zetten. De sneer ‘U draait en u bent niet eerlijk’ was weliswaar een eigen vondst van  Balkenende, maar paste naadloos in de instructies van zijn campagneteam. Van Weezel haalt ook de nasleep van Pechtolds interview met Opzij aan, waarin hij de Haagse politiek ‘vuil en vunzig’ noemde.  Staatssecretaris van Defensie Cees van der Knaap en Jack ‘Het Lek’ de Vries zouden verantwoordelijk zijn voor het beeld dat vervolgens van de D66-minister in de media werd neergezet, als een Herman Heinsbroek ‘zonder een Bentley onder zijn kont’.

Wat veel mensen die de Haagse politiek van dichtbij volgen al vermoedden, wordt dus in Van Weezels  ‘bericht vanuit de Haagse coulissen’ bevestigd. Het is echter jammer dat Van Weezel, met zijn enorme kennis van het leven binnen de Haagse kaasstolp, nauwelijks toekomt aan een analyse en interpretatie van de geconstateerde feiten. Toegegeven, het boekje heeft ook niet de pretentie om een diepgravende  studie te zijn naar de invloed van spindoctors in de Nederlandse politiek, maar juist die interessante vraag blijft nu onbeantwoord.

Nu levert Haagse fluisteraars, mede door de vlotte schrijfstijl en de beperkte omvang, een vooral anekdotische beschrijving van de Haagse politiek op, evenals de berichtgeving van Luyendijk. Waar Luyendijk zich echter  als betrekkelijke buitenstaander in september 2010 slechts een maand als zogenaamd Nieuwspoortrapporteur binnen het Kamergebouw ophield, mag van Van Weezel, die al ruim 30 jaar actief is in de politieke verslaggeving, een wat steviger analyse verwacht worden.

Doordat Van Weezel zich vooral richt op de rol van de politieke communicatiesector rondom het kabinet-Balkenende IV, kan moeilijk een goede algemene conclusie van de invloed van de politieke adviseurs worden getrokken, anders dan dat de macht van de spindoctor zo groot is als zijn politieke baas het hem vergunt. Hoe groot hun zelfstandige invloed is blijft in het midden.

De combinatie CDA-PvdA is namelijk bijna per definitie geen gelukkige. Aan het eind van het boek wordt dat door Wouter Bos nog eens benadrukt: Het is verleidelijk de teloorgang van het kabinet te verklaren uit factoren als de rol van de spindoctors en de persoonlijke verhouding tussen Balkenende en mijzelf. Maar veel belangrijker is volgens mij dat elke coalitie tussen CDA en PVDA moeizaam verloopt. Kortom, de spindoctors draaiden overuren onder Balkenende IV, maar in hoeverre ze als een op zichzelfstaande invloedssfeer kunnen worden beschouwd, is nog maar de vraag.

Het zou daarom echt interessant zijn de rol van de PA’s te bekijken in een kabinet waarin twee ideologisch meer verwante partijen samenwerken, zoals het huidige kabinet-Rutte, dat afgelopen week zijn éénjarig bestaan vierde. En dieper in te gaan op bijvoorbeeld de strijd die nu binnen het CDA wordt geleverd om het kabinet overeind te houden, onder meer door minister Leers keer op keer te dwingen als een klein jongetje aan de PVV zijn excuses aan te bieden. Dát zou pas echt onthullende journalistiek opleveren.