De Indo-Europeanen hebben nooit bestaan

RECENSIE - Die Indo-Europeanen waarover je vroeger zoveel hoorde, bestaan die eigenlijk nog wel? Niet volgens een dik boek van de archeoloog Jean-Paul Demoule dat de afgelopen weken furore maakte in Frankrijk.

Het leek mij altijd de grootste ontdekking van de taalwetenschap van de afgelopen eeuwen: dat de meeste talen uit Europa en Azië familie zijn van elkaar, en uiteindelijk afstammen van dezelfde taal, het Indo-Europees, die misschien in de Caucasus gesproken werd, of in het zuiden van Turkije. Vandaaruit zijn ze ooit, duizenden jaren geleden allerlei richtingen op getrokken en hebben de grondslag gelegd voor het Hindi, het Nederlands, het Bulgaars, het Galicisch en allerlei andere talen.

Maar waar zijn die Indo-Europeanen dan gebleven? vraagt Demoule. Er zijn geen archeologische bewijzen voor een verovering door een volk van zulke grote delen van Europa. Nergens is een spoor te vinden van de Het is onduidelijk waar ze eigenlijk vandaan zouden zijn gekomen: daar zijn allemaal theorieën over (Scandinavië, de Caucasus, Zuid-Turkije) maar die zijn geen van allen erg aannemelijk. We hebben als enige bewijs van hun bestaan het feit dat de Indo-Europese talen zoveel op elkaar lijken. En dat zou ook op een andere manier verklaard kunnen worden.

Dierenhuiden

Hij trekt enorm van leer, deze Parijse archeoloog, maar dat geweld werkt averechts. Zo pakt hij in de eerste paar honderd pagina’s enorm uit over de banden die er in het verleden hebben bestaan tussen de wetenschappelijke Indo-europeanisten en extreem-rechts. Er zijn tal van dat soort banden geweest: de mooie verhalen over een mythisch volk dat ooit heel Europa veroverde en zijn eigen cultuur gaf, was een tegenwicht tegen de Joodse wortels die de Christelijke cultuur heeft. En dankzij de Indo-Europeanen konden Duitse nazi’s bovendien beweren dat de Griekse en Romeinse cultuur eigenlijk ook van hen was.

Het is alleen onduidelijk wat voor conclusie je aan zoiets moet verbinden: de nazi’s gooiden van alles en nog wat in de soep van hun perverse ideologie. Bovendien vond Hitler, zoals Demoule toegeeft, al dat gedoe rond die Indo-Europeanen eerder kwalijke onzin: het wierp er maar licht op dat de Duitsers nog in dierenhuiden rondliepen toen de Grieken en Romeinen al dichtten en dachten.

Aha!

Serieuze inhoudelijke argumenten tegen de Indo-Europese hypothese zijn er uiteindelijk maar weinig. Vrijwel alles wat Demoule aandraagt hoort in de categorie ‘Ja, maar hoe verklaar je dit of dat detail dan?’ Hoe kan het dan dat de Tocharen helemaal in China een soort Indo-Europese taal spraken die meer lijkt op Europese dan op Indische talen? Hoe kan het dan dat er zoveel verschillende woorden zijn voor paard? Hoe kan het dat er maar zo weinig woorden zijn die in alle dertien takken van de taalfamilie zijn aangetroffen?

Dat zijn allemaal interessante vragen, maar Demoule presenteert ze alsof ze de theorie volkomen onderuit halen. We weten alleen wat er tienduizend jaar geleden gebeurd is als we alles precies weten. Het is soms een beetje alsof hij, wanneer je al die vragen zou beantwoorden, ineens zou gaan vragen om de namen van de tien belangrijkste aanvoerders van die Indo-Europeanen en wanneer je die niet kon verstrekken, zou roepen: ‘Aha!’

Gadgets

Het enige bewijsmateriaal dat hij accepteert is de taalkundige, zij het ook dat met tandenknarsen. Oké, die Indo-Europese talen zijn kennelijk aan elkaar verwant. Maar dat betekent nog niet dat ze van dezelfde taal afstammen! Maar hoe kunnen ze dan op elkaar lijken in zoveel elementaire woorden? Nou, er woonden daar mensen in Europa en die hadden allemaal contact met elkaar en namen woorden van elkaar over, of zoiets.

Hoe je je dat precies moet voorstellen, daar maakt Demoule verder geen woorden aan vuil. Het enige wat ik kan bedenken is: die Indo-Europeanen waren een soort prehistorische Amerikanen. Iedereen in Europa en Azië ging ineens op Indo-Europese les omdat die taal zo cool was, en je er de laatste gadgets mee kon bestellen. Geen wonder dat er geen archeologische restanten zijn: er was geen geweld nodig voor de overgang naar het Indo-Europees, en alle gadgets zijn inmiddels tot stof vergaan.

Maar zelfs in zo’n scenario zijn er nog steeds Indo-Europeanen nodig. Dus waar zijn die dan gebleven? Dat is volgens mij de kracht van Demoules boek: hij gaat als een wildeman te keer, maar hij laat uiteindelijk zien dat we er weliswaar niets van begrijpen, maar dat ze er toch ooit geweest moeten zijn, die Indo-Europeanen.

Jean-Paul Demoule. Mais où sont passés les indo-européens? Le mythe d’origine de l’occident Paris: Éditions du Seuil, 2014.

Afbeelding: Indo-Europese migraties van ca. 4000 to 1000 v. Ch. volgens de Kurganhypothese (Wikipedia)

  1. 1

    Als bespreking vind ik het mager en bevooroordeeld, als opiniestuk slecht en een beetje puntloos, als polemiek inhoudsloos.

    Daarnaast lijkt het me dat Demoule met zijn 752 pagina’s erg uitgebreid is. Blijkens #0 behandelt hij ook de de ideologische perversiteiten van de ‘Indo-Europeanen’/’Ariërs’. Dat #0 nog met de vraag blijft zitten ‘waar dat volk is’, blijkt voor mij dat Demoule kennelijk niet erg duidelijk was. ‘Volk’ is een 19e-eeuws begrip, dat nog is blijven hangen bij Van Oostendorp. Voor één taal om te ontstaan, heb je geen één volk nodig, voor één taal om zich onveranderd te handhaven is het wel handig (of liever: een normhandhavende autoriteit).

    Voor blauwe ogen heb je niet perse de Zweden of de Ingveonen nodig. Je hoeft alleen maar die buurvrouw/man met die mooie blauwe ogen leuk te vinden. Dat die ‘hoofd’ uitspreekt als ‘chooph’t’, in plaats van ‘khaput’ en jij je daarnaar schikt, kan het verschil zijn tussen een Germaanse en Romaanse taal.

  2. 2

    Zonder dit boek nu gelezen te hebben, maar het doet me sterk denken aan de discussie over de ster van Bethlehem. Hordes astronomen hebben theorieën bedacht over wat dat dan wel geweest zou kunnen zijn, die ster. Niemand stelt zich de vraag: is het verhaal wel waar? Daar zijn de oudheidkundigen heel kort over: naar alle waarschijnlijkheid niet. En dat is toch best belangrijk, want ‘de ster van Bethlehem’ is in essentie helemaal geen astronomisch fenomeen, maar een oudheidkundig.

    En op dezelfde manier is ‘de Indo-Europeanen’ geen archeologisch fenomeen, maar een taalkundig. De verwantschap van de Indo-Europese talen is zo’n beetje de hoeksteen van de linguïstiek, dus dat betekent dat er ooit een groep mensen was die een taal sprak waar alle huidige Indo-Europese talen vanaf stammen. Over wie dat zijn geweest kan de archeologie nuttig zijn, maar de link tussen taal en archeologie is met culturen zonder schrift nou eenmaal niet direct vast te stellen. En of alle sprekers van Indo-Europese talen ook afstammen van de oorspronkelijke Indo-Europees sprekende is maar helemaal zeer de vraag, en waarschijnlijk niet het geval.

    Dus het blijft speculatie (van daar ook de ruimte voor een boek als hier besproken), maar de consensus lijkt toch de Kurgan hypothese te zijn (vreemd genoeg niet besproken in dit stuk).

    Wikipedia:
    http://en.wikipedia.org/wiki/Proto-Indo-Europeans

  3. 3

    Het plaatje geeft eigenlijk al een beetje weg dat zowel de romantische visie van een Indo-Europees oervolk als de verwerping ervan weinig hout snijdt. Het gaat om een periode van duizenden jaren waarin vanuit een vruchtbaar gebied het bevolkingsoverschot geëxporteerd werd.