De dolgedraaide nieuwsmachine en triviale onzin

OPINIE - Sinds gisterenavond mag ik me officieel televisiemaker noemen: Man bijt hond gebruikte een fragment van de video die ik zondag hier plaatste.

Ik was de afgelopen twee dagen in Parijs, waar ik gisteren een vergadering had over de oprichting van een Europees netwerk voor theoretische fonologie, waar we een kleine Franse subsidie voor hebben gekregen. Dat netwerk gaat de taalwetenschap en daarmee de Westerse beschaving ingrijpend veranderen, let maar eens op. Dat gaat de geschiedenisboeken wel halen, maar de pers niet.

In plaats daarvan wilden tientallen redactie mij ineens spreken over mijn ‘onderzoek’, of zelfs mijn ‘onderzoeksresultaat’ over de harde en de zachte g. Als ik zei dat ik pas maandagavond weer in het land was (ja mensen, ik ben weer in het land), dreigden sommigen dat het dan ‘geen nieuws’ meer was.

Alsof het dat in de afgelopen vijfhonderd jaar ooit is geweest.

In het filmpje trek ik alleen in mijn eigen woorden mijn conclusie neer uit de bestaande literatuur voor zover ik die ken – ik ben geen historisch taalkundige. Er is letterlijk niets nieuws gebeurd behalve dat ik afgelopen vrijdag door het Beatrixpark liep en het zulk mooi weer was en ik bedacht dat ik gebruik kon maken van het fijne winterlicht om een filmpje op te nemen. (Je bent professioneel televisiemaker of je bent het niet.)

Een of andere professor

De gebeurtenis laat twee dingen zien. In de eerste plaats draait er ergens een dolgedraaide nieuwsmachine, voortdurend op zoek naar geinige onderwerpjes, van die dingen waarvan de kijker of luisteraar denkt: Hé. Verhip. Tjonge. Asjemenou.

Wanneer zo’n onderwerpje geen nieuws is, dan maakt die machine er wel nieuws van, met enkele eenvoudige ingrepen. Dan is het niet Marc die op vrijdagmiddag door het Beatrixpark liep, maar een of andere professor die ineens een ontdekking heeft gedaan. Of dan schrijft het AD dat die professor dat in Het Parool gezegd heeft, al citeert die laatste krant ook alleen maar het filmpje.

Het tweede is dat sommige taalkundige onderwerpen zich goed lenen voor dat asjemenou-gevoel. Veel mensen zijn geïnteresseerd in taal. Ze willen er best een kort filmpje over zien of een itempje over horen. Ze willen zich graag een paar seconden verbazen over het feit dat ook Amsterdammers (die volgens informatie van Man bijt hond ‘trots zijn op hun harde g’) ooit anders hebben gesproken dan nu. En wie zijn wij dan om die nieuwsgierigheid niet te bevredigen met de kennis die we hebben?

Triviale onzin

Tegelijkertijd bestaat er het Koelmans Effect (KE), zo genoemd naar een columnist van de Metro. Toen onlangs verschillende kranten aandacht besteedden aan het proefschrift van Koen Sebregts over variatie van uitspraak in de r, en daarbij die bevindingen soms wat populistisch samenvatten, schreef Koelmans een column waarin hij Sebregts belachelijk maakte vanwege die populistische samenvattingen. Door al te zeer mee te gaan in het frame van geinig asjemenou, wek je al snel de indruk dat jij belastingcenten aan het vergooien bent met onderzoek naar trivia.

Dat is een dilemma in de populaire wetenschap. Aan de ene kant gaat de publieke belangstelling vooral uit naar trivia, en niet naar de ingewikkelde solide achtergrond van het onderzoek, dat al snel saai en ‘niet relevant’ wordt gevonden (niet relevant voor degene die heeft besloten zijn dagen te slijten met directeur-zijn van een afdeling van een ministerie en zijn avonden vult met internet); en kom je dus met geesteswetenschappelijk onderzoek alleen in de belangstelling als je trivialiseert. En aan de andere kant bevestig je daarmee de indruk dat geesteswetenschappers zich de hele dag bezig houden met triviale onzin.

Er is geloof ik geen uitweg uit die malaise dan het steeds weer opnieuw te blijven proberen: blijven uitleggen wat we weten en wat ons interesseert en hoe het de mensheid uiteindelijk vooruit helpt als ze inzicht krijgt in een van de belangrijkste menselijke eigenschappen – de taal.