De democratie van wederzijds wantrouwen

In dit parlement gaat het een stuk sneller (Foto: Wikimedia Commons/Arpingstone)

De dag na de verkiezingen van 1997 nam Tony Blair als kersverse premier zijn intrek in 10 Downing Street. Een paar uur daarvoor maakte voorganger John Major zijn aftreden bekend. Hij ging cricket kijken met zijn gezin. De voortvarendheid waarmee kabinetten in het Verenigd Koninkrijk wisselen heeft natuurlijk alles te maken met het politieke systeem, waarin één van de twee dominante partijen erg vlot een parlementaire meerderheid kan halen. De oppositie loopt zich al jaren warm, ontwikkelt plannen voor de termijn waarin zij wil regeren en heeft met het schaduwkabinet ook al de mensen klaar staan die dat beleid kunnen uitvoeren.

In ons kleine coalitieland gaat dat allemaal heel anders. Maar weinig kabinetten halen de eindstreep, waardoor het land tot ver na nieuwe verkiezingen wordt bestuurd door een kabinet dat geen steun van een parlementaire meerderheid geniet. Zo kende Nederland in de tijd tussen de verkiezingen van mei 2002 en juni 2010 vier kabinetten-Balkenende, waarvan er drie zijn gevallen. In totaal hebben demissionaire kabinetten gedurende die acht jaar 21 maanden op de winkel gepast. Als je de honderddagentoernee van het vierde kabinet-Balkenende meetelt (is er echt een reden om dat niet te doen?), is dat ruim twee jaar. Mark Rutte, die tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 2009 een motie van wantrouwen tegen het kabinet indiende omdat het ‘feitelijk demissionair‘ zou zijn, telt daar ongetwijfeld nog eens vijf maanden bij op.

Niets wijst erop dat de formatie van het volgende kabinet in de context van een zeer onvoorspelbaar politiek klimaat sneller afgerond zal zijn dan in de afgelopen jaren. Ondertussen zit demissionair minister van Financiën De Jager allang te schrijven aan de Miljoenennota, die hij zeer waarschijnlijk zelf nog zal moeten presenteren. Het komende kabinet erft op die manier, naast de verplichtingen die het rompkabinet Balkenende-IV tijdens de eurocrisis is aangegaan, voor een jaar de financiële bandbreedte die het CDA en de CU het nieuwe kabinet op dit moment gunnen.

Terug naar het Verenigd Koninkrijk, waar men in de aanloop naar de verkiezingen huiverig was voor een hung parliament. Het land is niet gewend aan coalities met de daarbij horende coalitieonderhandelingen en een demissionair kabinet. Maar geconfronteerd met de verkiezingsuitslag en de druk om tijdens een wereldwijde economische crisis zo snel mogelijk een kabinet te hebben, is het de Conservatives en de Liberal Democrats toch gelukt eenheid te smeden. Slechts zes dagen na de verkiezingen lag er een coalitieakkoord van acht A4-tjes op tafel. Meer hebben de Britten kennelijk niet nodig om enkele grote hervormingen door te voeren. Bovendien omarmden de Britten volgens Marc Chavannes “hun nieuwe politieke realiteit met een directheid waar de Nederlandse politiek een dosis van kan gebruiken.”

In Nederland leidt een nieuwe politieke realiteit echter makkelijk tot een opleving van al langer bestaande animositeit, resulterend in risicomijdend gedrag en dientengevolge tot regeerakkoorden die tegelijkertijd tot in de miniemste details dichtgetimmerd en volstrekt onhelder kunnen zijn. Het vorige regeerakkoord met de bezwerende, maar met de kennis van nu cynische, titel ‘samen werken, samen leven’ bestond uit 53 pagina’s. Veel concreets stond daar niet in: “Het kabinet zal dit coalitieakkoord uitwerken in een beleidsprogramma, te presenteren voor de zomer en in te vullen met Prinsjesdag 2007” (p.12, pdf.). Het was tekenend voor een coalitie die eigenlijk geen coalitie wilde zijn: voordat de onderhandelingen in Beetsterzwaag begonnen, werd onderhandeld over de onderwerpen waarover niet onderhandeld kon worden. Met een plusjes-en-minnetjestabel werden zo belangrijke thema’s taboe verklaard. Voor onderwerpen die alsnog lastig lagen, werd door het kabinet een parallelle commissierealiteit opgetuigd, waarvan de adviezen immer in de Binnenhofse Bermuda-driehoek verdwenen. Alledrie de coalitiepartijen hadden hun eigen loket aan de balie van het kabinet.

Het is dit grote onderlinge wantrouwen (zie ook “Het monster van Beetsterzwaag”, deze week in Vrij Nederland) dat leidt tot monomane vermijding van een fundamentele benadering van problemen en oplossingen. Het leidt tot lange coalitiebesprekingen, tit-for-tat-handjeklap waarbij complete thema’s worden uitgesloten en een regeerakkoord dat bol staat van grijze compromissen.

In deze complexe tijd, waarin de houdbaarheid van zorg, onderwijs en sociale zekerheid op het spel staat, kan de politiek het zich niet langer veroorloven zich te laten leiden door onderling wantrouwen en op de proppen te komen met een disfunctioneel kabinet. Alleen een stevige coalitie van partijen die ook elkaars ambities durven omzetten in daden kan ervoor zorgen dat Nederland de komende jaren niet volledig speelbal wordt van economische omstandigheden.

  1. 1

    Ja, ja, ja. Maar welke coalitie moet dat dan worden?
    Aan de andere kant: trek de tijd er af, die kabinetten besteden aan informaties, formaties, valpartijen en de gebruikelijke rituelen als recessen, presentaties (verkiezingscampagnes, regeerakkorden, Prinjesdagen) en verantwoording (gehaktdag) en je houdt niet zo gek veel echte regeertijd over. Ondertussen leven we nog, dus maakt het wat uit als een coalitie wat langer echt aan het werk is?

  2. 2

    @1: Het gaat er in dit stuk eigenlijk helemaal niet om welke coalitie het zou moeten zijn. Hoewel ik wel denk dat een coalitie van partijen die ver van elkaar af staan als potentieel instabieler wordt beschouwd, waardoor een coalitieakkoord weer compleet dichtgetimmerd of vaag (of beide) wordt.

    Het belangrijkste is wat mij betreft dat partijen nu eens hun partijpolitieke dogma’s overstijgen. Het laatste kabinet had letterlijk een lijstje waar partijen onderwerpen van konden wegstrepen, daar werd dan niet over gepraat. Wat ook niet moet is een wafelijzerbenadering. Dus niet: pvda weet subsidie binnen te slepen voor dit of dat, dús wil het CDA ook iets binnenhalen, met als resultaat dat beide “overwinningen” maar half worden uitgevoerd.

    Dan is natuurlijk de vraag hoe dat voorkomen kan worden. Ten eerste is dat simpelweg iets wat in de beroepseer van de betrokken politici zou moeten zitten. Wij hebben daar echter nauwelijks tot geen invloed op. Een tweede optie zou kunnen zijn dat de politieke partijen vóór de verkiezingen al hun favoriete coalitie aangeven en gesprekken aanknopen met hun beoogde coalitiepartners. De middenpartijen zijn daarmee wel in het nadeel, als de verkiezingsuitslag niet op die coalitie wijst. Onderhandelingen met een andere partij wordt dan weer moeilijker. Daarnaast zouden die gesprekken in de achterkamertjes plaatsvinden en dat wordt tegenwoordig niet geaccepteerd.

    En verder: ja, ik vind het belangrijk dat er zo lang mogelijk een ‘echt’ kabinet zit. Natuurlijk draait de wereld ook met een demissionair kabinet door, maar gedurende die periode worden er in zo’n periode nauwelijks een politiek besluit genomen.

  3. 3

    De vraag welke coalitie het moet zijn is relevant, want dan gaan we op zoek naar die partijen en/of politici die bereid zijn hun “partijpolitieke dogma’s” te overstijgen.

    Dat is vandaag lastig zoeken. In de verkiezingsprogramma’s en uitlatingen in de media, vind je het nog het meest terug bij D66, PvdA.
    Net als andere partijen formuleren ze zo hun idealen, maar vaak op een manier dat er wel deuren open blijven staan.

    En wat de beroepseer van de politici betreft: we hebben er inderdaad amper invloed op en dus kunnen ze met ons mandaat hun eigen loopje nemen.
    Des te teleurstellender is het dat maar weinig mensen interesse hebben voor voorstellen die de grip op hun weggegeven mandaat kunnen verstevigen.

  4. 4

    @3: Natuurlijk is het relevant om welke coalitie het gaat, maar dat valt wat mij betreft buiten de scope van mijn stuk.

    Ik vind het jammer dat als ik iets aankaart wat ik zie als een fundamenteel probleem in onze democratie, het meteen weer gaat over welke coalitie er dan gevormd moet worden.

  5. 5

    @4: Ah, sorry, dat was niet de bedoeling. Ik zocht eigenlijk naar een oplossing binnen de bestaande partijen: welke lijken de meeste potentie te hebben om aan jouw wens tegemoet te komen.

    Maar misschien moeten we zoeken naar oplossingen door niet de politici maar het huidige stelsel te veranderen. Immers, in de UK en Duitsland zitten kabinetten langer, maar hun stelsel is op een aantal punten anders dan bij ons.

  6. 6

    @5: Geeft niet, ik heb alleen liever niet dat deze discussie meteen weer over coalities gaat. Daar gaat het bijna altijd al over, vaak in combinatie met discussies over poppetjes. Het gaat wat mij betreft te weinig om ideeën en structuren en juist dat is een component in het ontstaan van het wederzijdse wantrouwen dat ik hierboven geschetst heb.

    Een stelselwijziging kan, maar heeft ook zijn nadelen. Ik denk dat het echt al een boel zou schelen als partijen vooraf zouden gaan praten over de Grote Onderwerpen en waar ze overeenstemming kunnen vinden. Het zou ook prettig zijn als partijen vooraf zouden aangeven wat hun voorkeur heeft en waarom. Menig politicus staat nu al te blèren: “als je daarop stemt, krijg je automatisch die en die erbij”. Dat zijn leuke spelletjes, maar wees dan zelf ook zo moedig om aan te geven wat je eigen voorkeur heeft.

  7. 7

    Het antwoord geeft je in je reactie @2. Ik denk ook dat de instabiliteit en lange onderhandelingen worden veroorzaakt doordat partijen die ideologisch ver van elkaar afstaan worden gedwongen samen te werken. Met name PvdA en CDA geeft veel problemen – er zijn grote verschillen tussen deze twee partijen.

  8. 8

    @7: Nou in de Nederlandse geschiedenis zijn er ook kabinetten gesneuveld door toedoen van partijen die toch redelijk dicht bij hun colatiegenoten stonden. Geen waterdichte garantie dus.
    En het kabinet dat het langst heeft gezeten bestond uit een coalitie van CDA en PvdA (Lubbers III). Sterker nog: van de top-3 langst zittenden kabinetten behoorde CDA en PvdA tweemaal tot de coalitie en de VVD 1x.

    @6: Misschien vinden de huidige politici de problemen (nog) niet groot genoeg om op de 1e plaats het over een stabiel “nationaal kabinet” te hebben?

  9. 9

    ‘De democratie van wederzijds wantrouwen’ bespaart ons ook van de Thatchers en de Reagans van onze wereld. Snelle stevige beslissingen zijn niet altijd goede beslissingen. Juist in een complexe tijd moeten goed doordachte beslissingen worden genomen, die rekening houden met alle belangen.

    Tegelijk vinden onze eigen politici het onderlinge wantrouwen vaak ook wel lekker, heb ik het idee. Dan is alles wat fout gaat altijd de schuld van de ander en hoef je nergens verantwoordelijkheid voor te nemen. Wat dat betreft zijn de politici perfecte vertegenwoordigers van ‘het NL volk’, want of we nu de allochtonen, de politici, links of rechts de schuld geven, ‘wij zelf’ doen nooit wat fout.