Burgernomics: De Big Mac index

Hamburger Harley (Foto: Flickr/Rodney Dioxin)

De Big Mac-index, door The Economist aangeprezen als ‘a more fun way to understand exchange rates than textbooks‘ is een goed excuus om voor de tweede keer in drie weken op GC aandacht te schenken aan de Amerikaanse hamburgergigant. Eerder wijdde ik al een artikel aan de Golden Arches Theory Of Conflict Prevention van Thomas Friedman: landen met een McDonald’s restaurant voeren zelden oorlog met elkaar. Vandaag staat dus een een nieuw smakelijk onderwerp op het menu, dat evenmin zou misstaan op het curriculum van de Hamburger University in Oak Brook, Illinois: de Big Mac index.

Maak kennis met burgernomics. Allemaal te danken aan de Big Mac, in 1967 bedacht door restauranthouder Jim Delligatti in Pittsburgh. Dit onverwoestbare icoon van Amerikaans fastfood-imperialisme inspireerde in 1986 The Economist-redactrice Pam Woodall tot een heuse Big Mac-index, bedoeld als speelse manier om het verschil in relatieve koopkracht tussen verschillende landen in kaart te brengen. McDonald’s staat namelijk niet alleen bekend om de wereldwijde standaardisering van het menu, maar koopt bovendien haar ingrediënten lokaal in.

In de prijs van een Big Mac zitten dus automatisch de kosten van de ingrediënten, arbeid en energieverbruik inbegrepen. Wat de ingrediënten van een Big Mac zoal zijn? Amerikanen van boven de de veertig zullen het ongetwijfeld eenvoudig kunnen reproduceren, dankzij een enorm succesvolle reclamecampagne uit de jaren ’70: “How fast can you say ‘two all beef patties special sauce lettuce cheese pickles onions on a sesame seed bun’?

Door het prijsniveau van een Big Mac in de VS te vergelijken met die in andere landen kun je iets zeggen over relatieve koopkracht en dus over de wisselkoersen van verschillende valuta’s. De Big Mac index toont aan hoeveel dollar een andere valuta ‘eigenlijk’ waard is en maakt zo mooi inzichtelijk of de wisselkoers te hoog of te laag is. Laten we de gegevens uit juli 2008 eens bekijken. Een Big Mac in de Verenigde Staten kostte toen $3.57 en in Engeland gemiddeld £2.29. Dat verondersteld een koopkrachtpariteit van 1,56 ($3.57/£2.29), terwijl de werkelijke wisselkoers op dat moment $2 op  £1 was. Omdat de absolute kosten vergelijkbaar zouden moeten zijn, leidt dit tot de conclusie dat de Britse pond destijds overgewaardeerd was ten opzichte van de dollar met 22 %, [(1.56-2.00)/2.00]*100= -22%.

McDonalds Iraq © Beirut India Media by Latuff

Op 14 oktober jl. verscheen de meest recente bijdrage: ‘An indigestible problem: Why China needs more expensive burgers‘, wederom rijkelijk gelardeerd met allerlei naar de fastfoodcultuur verwijzende woordspelingen. De conclusie van The Economist op basis van de Big Mac methodologie is dat de Chinese Yuan zo’n 40% ondergewaardeerd is ten opzichte van de dollar. De daartegenoverstaande overwaardering van de Zwitserse frank (meer dan 80%), de Braziliaanse real (42%) en de euro (29%) lijken een goede graadmeter van de toenemende spanningen op de internationale valutamarkt en dan met name de door sommigen ontwaarde onstuitbare val van de dollar. Het voedt geruchten dat het op termijn misschien komt tot een valutaoorlog. The Economist  bericht:

The tensions caused by such misalignments prompted Brazil’s finance minister, Guido Mantega, to complain last month that his country was a potential casualty of a ‘currency war’. Perhaps it was something he ate. In Brazil a Big Mac costs the equivalent of $5.26, implying that the real is now overvalued by 42%. The index also suggests that the euro is overvalued by about 29%. And the Swiss, who avoid most wars, are in the thick of this one. Their franc is the most expensive currency on our list. The Japanese are so far the only rich country to intervene directly in the markets to weaken their currency. But according to burgernomics, the yen is only 5% overvalued, not much of a casus belli.

Gelukkig maar dat het dus niet zo’n vaart loopt met oorlogvoeren tussen landen die zich beschermd weten door een een waar leger aan McDonald’s vestigingen.

  1. 1

    Ik lees dat er inmiddels ook de Starbucks Tall Latte index is – benieuwd of die goed overeenkomt met de burger index, of dat het allemaal toch maar speelgoed is.

  2. 2

    Ja, klopt hoewel ik me kan voorstellen dat die ingrediënten omdat ze niet lokaal zijn niet erg indicatief zijn. Ze zullen meer een weerspiegeling zijn van algehele prijspeil.

    Duurste Big Mac in Noorwegen , goedkoopste in de Oekraïne

    Five most expensive (22 July 2010)

    1. Norway – USD 7.20
    2. Sweden – USD 6.56
    3. Switzerland – USD 6.19
    4. Brazil – USD 4.91
    5. Denmark – USD 4.90

    Five most affordable (22 July 2010)

    1. Ukraine – USD 1.84
    2. Sri Lanka – USD 1.86
    3. Hong Kong – USD 1.90
    4. China, People’s Republic of – USD 1.95
    5. Thailand – USD 2.17

    Interessant ook nog hoe lang je voor je burger moet werken. In Japan gemiddeld slechts 10 minuten, in Nairobia Kenia een whopping 2 uur en 38 minuten.

    zie: http://en.wikipedia.org/wiki/Big_Mac_Index#Figures

  3. 3

    Sja, het zal ook uitmaken hoe populair een ingredient lokaal is. Als men in Brazilie (die had ik niet zo hoog verwacht!) geen augurken eet, dan is een burger met augurken snel duur

  4. 4

    Nog creatiever als Prijs indicator is de Christmas Price Index, naar het bekende kerstlied “The Twelve Days of Christmas” (ook wel bekend als Partridge in A Pear Tree – zelf herinner ik hem uit een oud Donald Duck Verhaal, waarbij Donald deze dingen koopt voor zijn Katrien)

    In dit exotische mandje vind je: a partridge in a pear tree, two turtle doves, three French hens, four calling [sic] birds, five gold(en) rings, six geese, seven swans, eight maids, nine dancing ladies, ten leaping lords, eleven pipers, and twelve drummers.

    De prijzen worden sinds 1984 berekend op basis van deze overwegingen:

    * The pear tree comes from a local Philadelphia nursery
    * The partridge, turtle dove, and French hen prices are determined by the Cincinnati Zoo and Botanical Garden
    * The price of a canary at Petco is used for the calling [sic] bird, though the price of a blackbird (colly bird) would be more in tune with the song
    * Gordon Jewelers sets the cost of the gold rings, though the gold rings of the song actually refer to ring-necked pheasants
    * The National Aviary in Pittsburgh sets prices for swans and geese
    * The maids are assumed to be unskilled laborers earning the Federal Minimum Wage
    * A Philadelphia dance company provides estimates for the salary of “ladies dancing”
    * The Philadelphia Ballet estimates the salary for the “leaping lords”
    * The going-rate for drummers and pipers is that of a Pennsylvania musicians’ union

    Bron: wiki