Goed volk | Een christelijk Boeddhaverhaal

COLUMN - Prins Siddhartha Gautama, de historische figuur waar het boeddhisme op gebaseerd is, leefde een kleine vijfhonderd jaar vóór Jezus van Nazareth in het huidige Nepal. Na zijn dood werden al snel biografieën opgetekend die onderling de nodige verschillen vertoonden maar altijd drie elementen bevatten:

  1. een profetie van astrologen die voorspelden dat Siddhartha óf een groot koning óf een grote heilige zou worden (waarna zijn vader hem opsloot in het paleis),
  2. de tijdelijke ontsnapping uit het isolement op zijn negenentwintigste jaar, waarbij de prins tijdens een rijtoer een oude man, een zieke man en een dode man zag en zo werd geconfronteerd met het leed der aarde dat zijn vader al die tijd voor hem verborgen had gehouden,
  3. de poging van hofdames om hem te verleiden en hem zo van het spirituele pad af te houden.

Deze elementen komen ook voor in een van de populairste legenden uit de Middeleeuwen, het verhaal van Barlaam en Josaphat. Het duurde echter tot 1859 de opkomst van de indologie, tot Europese geleerden in de gaten kregen dat de christelijke legende gebaseerd moest zijn op de biografie van Boeddha. De ontdekker was de Franse geleerde Edouard Laboulaye (1859).

Josaphat in een twaalfde-eeuws manuscript (Wikimedia Commons)

Een verhuizend verhaal

Na de dood van Siddhartha Gautama verspreidde het verhaal van zijn leven, zijn preken en parabels zich door Azië en het bereikte op een gegeven moment de grenzen van het Byzantijnse Rijk. Hier moeten christelijke monniken, die daar in onherbergzame streken leefden, overeenkomsten hebben herkend tussen de verhalen over Boeddha en het evangelie van Jezus Christus. Uiteindelijk werd het verhaal omgewerkt tot een inspiratiebron voor christelijk monnikendom.

Maar hoe veranderde een in het Sanskriet of Pali geschreven c.q. gesproken biografie van de Boeddha uiteindelijk in een gekerstende volksboek-versie in het Oud-Frans en hoe kwam het verhaal vervolgens terecht in andere West-Europese talen? We volgen de hobbelige weg terug.

Gui de Cambrai, een schrijver uit het noorden van Frankrijk, vertaalde ergens tussen 1220 en 1225 het verhaal van Barlaam en Josaphat in het Oud-Frans, waarna vertalingen in andere Europese talen volgden, zoals het Duits, Provencaals en Catalaans. Gui baseerde zijn vertaling, voor de hand liggend, op een Latijnse tekst uit de elfde eeuw, waarschijnlijk de huidige Codex VIII B10 uit Napels. Die tekst gaat, ook weinig verrassend, terug op een Grieks origineel dat in diezelfde elfde eeuw is gemaakt door de Georgische monnik Euthymios van Athos (ca 955–1024).

Barlaam en Josaphat in het zuidelijk portaal van de doopkapel te Parma (Wikimedia Commons | Gebruiker Sailko)

Zandpaden en modderpoelen

Deze bekende geleerde, filosoof en vertaler, die eigenlijk Ekvtime Atoneli heette, vertaalde het Georgische Sibrdzne Balavarisa (‘Wijsheid van Balahvari’) in het Grieks. Maar hoe kwam hij aan deze Georgische tekst? Als we het spoor terug volgen, verandert de tot hier redelijk begaanbare provinciale weg op dit punt in een mul zandpad.

Ik zal de lezer het wetenschappelijke giswerk besparen, maar men vermoedt dat de Georgische brontekst is geschreven in de negende of tiende eeuw door monniken uit Jeruzalem. Die hebben zich dan weer gebaseerd op een moslim-Arabisch origineel (Kitab Bilawhar wa Budhasaf, ‘Boek van Bilawhar en Budhasaf’), dat moet zijn geschreven tussen 750 en 900.

Nu wordt het zandpad een modderpoel. Waar de Arabische versie, die sterker dan de latere christelijke legende aanleunt tegen het oorspronkelijke Boeddha-verhaal, vandaan komt is niet bekend en de rest is dus speculatie.

Omdat het boeddhisme in voor-islamitische tijden ook in Perzië bekend was, wordt wel verondersteld dat de bron van de Kitab Bilawhar wa Budhasaf Perzisch is geweest. Gezien de verspreiding van Boeddha’s levensverhaal door de rest van Azië is dit niet onlogisch.

Er zijn echter ook theorieën die beweren dat de Arabische tekst teruggaat op een Centraal-Aziatisch manuscript uit de manichese traditie. Het manicheïsme (niet te verwarren met het mandeïsme) was een christelijk-gnostische godsdienst, gesticht door de Mesopotamische profeet Mani (216-276), die elementen incorporeerde uit het boeddhisme. De door hem gecreëerde religie verspreidde zich naar China en naar het westen maar is in de zevende eeuw althans in Europa doodgebloed. Een oorspronkelijke manichese tekst is dus, gezien inhoud en geografie, niet onlogisch, maar we weten niets zeker, met name niet hoe de Sanskriet- of Palitraditie, schriftelijk of mondeling, uiteindelijk via diverse tussenstadia in een geheel andere taal terecht kwam.

Verdere verhuizingen

Hoewel ‘de Barlaam’ in heel middeleeuws Europa mateloos populair was en dus vaak is gekopieerd en herdrukt, komt de Middelnederlandse versie er bekaaid van af. Van het oudst bekende manuscript zijn slechts negentig regels bewaard gebleven en wel in de veertiende-eeuwse verhalenverzameling Van den VII Vroeden van binnen Rome.

De legende werd in West-Europa niet (zoals in het Grieks) gepresenteerd als een brok onpersoonlijke spiritualiteit en theologie, maar werd verdisconteerd in meer emotioneel en persoonlijk getinte poëzie (troubadours) en in mysteriespelen, waarbij in de laatsten de (emotionele) relatie tussen Siddhartha/Josaphat en zijn heidense vader werd benadrukt. In de zeventiende eeuw werd de legende meer gelezen als een verkenning van de vrij wil en de reis naar innerlijke vrede door meditatie.

In de dertiende eeuw kwam de legende in de Legenda Aurea terecht, een enorme collectie heiligenlevens, en zo werden de twee heiligen in 1583 op de Romeinse heiligenkalender geplaatst (gedenkdag 27 november). In de Grieks-Orthodoxe Kerk was het duo al eerder op de kalender geplaatst, en wel met een herdenking op 26 augustus. In de Russisch-Orthodoxe Kerk is de feestdag 19 december.

Geconcludeerd kan worden dat de wordingsgeschiedenis van de legende vier fasen kent:

  1. een oerfase – de Boeddhabiografie, waarin een veranderlijke mondelinge traditie uiteindelijk culmineert in schriftelijke versies;
  2. de uiteindelijke totstandkoming van aan Arabische versie vanuit een wellicht Centraal-Aziatisch origineel;
  3. de aangepaste Georgische tot en met de Latijnse versie waarbij de nadruk ligt op het kloosterleven;
  4. en vertalingen en bewerkingen in de Europese volkstalen, waarbij de nadruk komt te liggen op poëtische, volkse en morele componenten.

Hoewel het tweetal in geen enkele kerk ooit formeel heilig is verklaard, bezit de zestiende-eeuwse Sint-Andrieskerk in Antwerpen dankzij de doge van Venetië een bot uit de ruggewervel van Josaphat.