Balanceren rond het kind (2)

REPORTAGE - Dit is het tweede deel van een reportage over de werkzaamheden van Bureau Jeugdzorg in Overijssel. Deel één verscheen gisteren, deel drie verschijnt morgen.

Afwegingen, de hele week door. ‘Het is de kern van ons vak,’ zegt Job van Dijkhuizen (52), praktijkleider van het AMK. ‘We nemen voortdurend beslissingen die soms heel erg ingrijpen in het leven van een kind. Wat weten we over het kind? Weten we genoeg? Moet Jeugdzorg zich hier eigenlijk wel mee bemoeien? Zijn wij het aangewezen orgaan? Niks doen is ook een besluit. En de ellende is: je weet soms pas jaren later of je de juiste beslissing hebt genomen.’

Het steekt menig Jeugdzorgmedewerker, zo blijkt: wat ze ook beslissen, kritiek ligt voortdurend op de loer. ‘Als we niks doen, krijgen we daarover verwijten. Als we wel wat doen, horen we: “Waar bemoeien jullie je mee?”’

Damned if you do and damned if you don’t. En bij elk besluit is de vraag: wat is goed genoeg? ‘Neem een moeder in de prostitutie, maar het kind gaat wel netjes naar school, heeft goed te eten en is voldoende gekleed,’ zo schetst Clemens Schaap (39) van het Crisis Interventie Team. Hij heeft het over ‘wikmomenten’, over checken bij andere hulpverleners, bij school, bij de politie. Lastig is het als alles ‘vaag en ongrijpbaar blijft’. Of als de ouders ontkennen dat er een probleem is. ‘Wij doen niet aan waarheidsvinding zoals Justitie dat doet. De waarheid is voor Jeugdzorg niet makkelijk te achterhalen en de meningen zijn verdeeld hoever Jeugdzorg daarin moet gaan.’

Leidraad is telkens: is het kind veilig? ‘En niet alleen in fysieke zin. Is er sprake van mentale mishandeling? Van verwaarlozing? Is het huis té smerig?’ aldus Schaap. Hij laat een geplastificeerde checklist zien. ‘Is het kind getuige van seks of seksueel geweld tussen de ouders of andere volwassenen?’ is een van de vragen. ‘Is er sprake van een affectieve band tussen ouder(s) en kind?’ is een andere.

In een spreekkamertje gaat stagiair Dieuwertje Hammer (26) ’s middags aan tafel met een 17-jarige jongen van Afrikaanse afkomst. In 2007 gevlucht uit een oorlogsgebied, mogelijk getraumatiseerd, en sinds enkele weken zelf vader. De moeder, inmiddels zijn ex, is 16.

De jongen is bij de Jeugdreclassering van Bureau Jeugdzorg beland wegens een zware mishandeling met ernstig letsel. ‘Dat akkefietje in de zomer’, in de woorden van jongen. De schadevergoeding aan het slachtoffer kan hij niet betalen. ‘Een baantje vinden lukt niet, maar als jullie willen dat ik ga jatten dan doe ik dat wel hoor!’ stelt hij uitdagend. Op school wordt hij bewust tegengewerkt, is zijn stellige overtuiging; en met ‘die bullshitgesprekken daar’ heeft hij het wel gehad. Als de jongen weer is vertrokken, peinst Hammer hardop hoe ze dit moet aanpakken. ‘Hij heeft voortdurend smoesjes, de hele wereld is tegen hem.’ Ze gaat morgen nog maar eens op school praten, met de zorgcoördinator, de mentor, de stagebegeleider, de praktijkbegeleider en het schoolmaatschappelijk werk. De school maakt zich ‘ernstige zorgen’, maar wil niet dat Jeugdzorg dit terugvertelt aan de jongen – en dus kan ook die informatie weer niet worden gebruikt. De politie heeft hem recent meermaals opgepakt maar Jeugdzorg krijgt niet boven water waarom.

Niet dat er geen informatie is over jongens als deze. Het standaard onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, nodig voor een advies aan de rechtbank, telt 118 vragen over elf ‘levensdomeinen’. In het domein ‘attitude’ bijvoorbeeld: ‘Belangrijkste emotie tijdens delictpleging?’ Er zijn zeven keuzes: ‘Nerveus, bang, bezorgd, onzeker’. Of ‘Opwinding, spanning’. Of ‘Boosheid’. Of ‘Onbezorgd of onverschillig’. ‘Zelfverzekerd of trots’. ‘Anders’. Of: ‘Onbekend’.
De vragenlijst leest als een lesboek van de sociale academie in de jaren zeventig: ‘Inschatting sociale situaties en keuze van gedrag?’ Antwoord A: ‘Kan de meest geschikte tijd en plaats kiezen voor het gebruik van de meest adequate prosociale vaardigheid.’

Het wollige hulpverlenersjargon klinkt deze week wel vaker in de door heel veel maatschappelijk werkers bevolkte burelen. Bijvoorbeeld tijdens de ‘Leerwerkbijeenkomst’ over de methodiek VERVE (‘Veiligheid en regie voor elk’), die – kort gezegd – het eigen netwerk van de betrokkene centraal stelt. ‘Het is gelukt om haar te positioneren in de regie,’ heet het dan. Of ‘Wat is voor jou wat je meeneemt?’

Bij wijze van training bespreken elf vrouwen en twee mannen de (echte) casus van een 16-jarig meisje van Afrikaanse origine. Ouders gescheiden, moeder wil naar nieuwe vriend in het buitenland, biologische vader is gewelddadig en heeft oudste dochter vroeger misbruikt. Dochter wil niet bij vader gaan wonen en maakt zich zorgen over haar twee broertjes die daar wel naar toe gaan. ‘Welke informatie hebben we nodig om dit goed weg te kunnen zetten?’ is de vraag voor allen. Maar ook: moeten we hier wel mee bezig zijn? Moeten we ons óók bemoeien met de vader, of alleen met de 16-jarige dochter? En vooral: welk netwerk rond het meisje kan worden aangeboord voor hulp? Dilemma’s te over en de zeer uiteenlopende oplossingsrichtingen vliegen over tafel. ‘Als we ingrijpen, krijgen we het verwijt van betutteling. Als we niks doen, wijst iedereen naar ons als het misgaat,’ schetst een van de deelnemers de eeuwige spagaat.

Het basisidee achter VERVE hadden de gezinsvoogden Saskia Postel (36) en Nicolet Antonissen (39) eerder die week op het kantoor Deventer al uit de doeken gedaan. Centraal staan de EKC’s, de Eigen Kracht Conferenties, waarbij familie, vrienden en andere betrokkenen zelf met oplossingen mogen komen. ‘Uitgaan van wat er wel goed gaat, niet van wat er fout gaat.’ Postel: ‘Wij stellen het doel, bijvoorbeeld: de mishandeling moet stoppen. Hoe het gezin dat voor elkaar krijgt, is aan henzelf.’ Máár, zegt hun praktijkleider Ron van Elven (57): ‘Ook al geef je de regie aan het gezin zelf, je moet het wel blijven volgen. Ze kunnen weer uitglijden. Anderzijds mogen ouders niet wegduiken en zeggen: overheid, los het maar op. De Jeugdzorg heeft niet het patent op de veiligheid van het kind.’

Het is een samenspel tussen Jeugdzorg, huisarts, maatschappelijk werk, school en het gezin zelf, zo is tegenwoordig uitdrukkelijk de filosofie. ‘Ons werk is ingrijpen enerzijds, begeleiden anderzijds. En wat je precies doet is elke keer een kwestie van fine tunen,’ vat Van Elven het samen.

Alsof het werk zo al niet ingewikkeld genoeg is staat de Jeugdzorg momenteel voor een enorme verandering: per 1 januari 2015 is niet langer de provincie verantwoordelijk, maar de gemeente. Als een zwaard van Damocles hangt deze zogeheten ‘Transitie’ boven elke vergadering en elk gesprek. De zorgen over hoe het gaat uitpakken zijn immens. ‘Jeugdzorg is een vak met specifieke deskundigheid. Kun je die in elke gemeente organiseren?’ vraagt algemeen directeur Martin Dirksen (59) zich hardop af. ‘Als we zo’n structuur voor de algemene gezondheidszorg zouden bedenken, zou iedereen ons voor gek verklaren. Je kunt niet in elke gemeente hartoperaties laten uitvoeren, sommige dingen moet je in grotere verbanden regelen. En er is geen wethouder die zou zeggen: er kunnen wel wat minder hartoperaties worden uitgevoerd.’ Toch is dat precies wat er in de Jeugdzorg gaat gebeuren, wil Dirksen maar zeggen.

Zijn regiomanager Willem van Beek (55) valt hem bij: ‘Jeugdzorg moet niet een soort voetbal worden waar iedereen verstand van denkt te hebben. Ik heb wethouders gesproken die dachten dat Jeugdzorg een soort Centrum voor Jeugd en Gezin is, waar je binnenloopt, een kopje koffie krijgt plus een adviesje, en na afloop stuurt het gezin een kaartje: “Bedankt voor de fijne hulp!” Als wij ze hebben bijgepraat over wat het werkelijk behelst zeggen ze: “Oei… Jeugdzorg is helemaal niet zo leuk…”’

De bezorgdheid leeft breed. Anneke Haarsma, lid van de Raad van Toezicht van BJZ Overijssel, zegt het in een vergadering met de Cliëntenraad zo: ‘Het gemiddelde raadslid heeft vaak geen benul van wat dit werk inhoudt. Maar de zachte sector maakt binnenkort wél driekwart van de totale begroting van een gemeente uit.’

Het gebrek aan deskundigheid op lokaal niveau zal, paradoxaal genoeg, leiden tot sneller ingrijpen en méér Jeugdbeschermingsmaatregelen, voorspelt Hans Lomans, bestuurder van BJZ Gelderland eerder die week tijdens een overleg met collega-bestuurders in Zwolle. ‘De neiging zal zijn: better safe than sorry.’

Anderen vrezen juist het tegenovergestelde: ‘Ik ben bang dat gemeenten te lang gaan doormodderen als doorpakken juist nodig is. Maar misschien zijn wij wel té gefocust op ingrijpen,’ zegt praktijkleider Ron van Elven.

Martin Sitalsing, bestuurder van BJZ Groningen en voormalig politiecommissaris tijdens het bestuurdersoverleg: ‘Toen er steeds meer cameratoezicht kwam, ging de politie steeds meer incidenten zien, waardoor er ook meer inzet nodig was. Ik vrees dat dit in de lokaal georganiseerde Jeugdzorg ook gaat gebeuren.’ Ofwel: nóg meer werk, terwijl de budgetten krimpen. En dat, vertelt menig Jeugdzorgwerker, terwijl er nu ook al regelmatig meldingen binnenkomen waarvan ze denken: ‘Wat moeten wíj hier mee? Wat verwacht je nu eigenlijk van ons?’

Wordt vervolgd.

Deze reportage verscheen eerder in de Groene Amsterdammer

  1. 1

    ‘Neem een moeder in de prostitutie, maar het kind gaat wel netjes naar school, heeft goed te eten en is voldoende gekleed,’

    Ik vraag me wel eens af waarom dat soort vragen niet gesteld worden over bankierskinderen.

  2. 2

    Ik vind de inkijkjes reuzeinteressant, maar steeds weer bekruipt me het gevoel dat ze zo vanuit hun eigen positie redeneren, en zo weinig kunnen zien hoe de andere kant van de werkelijkheid eruit ziet.

    In het bijzonder viel deze me op: ‘De neiging zal zijn: better safe than sorry.’
    En dat zegt al heel veel over hoe men het inschat. Maar ingrijpen door Jeugdzorg is niet safe. En ik denk dat de diepgaande schade die ingrijpen ook veroorzaakt niet genoeg wordt meegewogen.

    Ook dat er niet aan waarheidsvinding wordt gedaan is zorgelijk – als je de waarheid niet kent kun je toch niet de juiste beslissing nemen over dergelijke zaken? Bovendien wordt het oordeel van Jeugdzorg door de rechter vaak overgenomen, dus als zij niet aan waarheidsvinding doen, wie dan wel?

  3. 3

    @1: inderdaad. Prostituée is een legaal beroep, waarom bemoeit jeugdzorg zich met dit kind?
    (het wordt een ander verhaal als het kind ’s avonds alleen zit omdat de moeder van 18.00 tot 3.00 werkt, maar een politie-agente moet ook wel eens ’s nachts werken).

  4. 4

    “‘Als we niks doen, krijgen we daarover verwijten. Als we wel wat doen, horen we: “Waar bemoeien jullie je mee?”’

    Ja, de beste manier om ze het werk onmogelijk te maken is de kritiek “het is ook nooit goed” niet als kritiek op te vatten, maar als aansporing om verder te gaan. Er is maar één ding echt goed: dat ze verdwijnen.

  5. 6

    @5: Jeugdzorg kan geen middenweg bewandelen. Tot aan ‘Rowena’ lieten ze alles op hun beloop en kregen ze uiteraard kritiek, daarna zijn ze krampachtig alles er aan gaan doen om te voorkomen, dat er nog maar één zo’n zaak voorkomt op basis van de populaire volksmening, dat in dergelijke zaken ieder geval er één te veel is. Wat het volk eist, is echter irrëeel en een overheidsdienst die daarin meegaat, krijgt dit soort problemen en wordt als gevolg daarvan nu terecht gehaat en uitgekotst.