Segregatie voor dummies
Precies 9 maanden.. Sinds ik verhuisde naar een aangeharkte nieuwbouwwijk in de periferie van de stad duurde het maar liefst 270 (!) dagen voor ik iemand met een zwarte huiskleur in mijn buurt ontwaarde. Het was een glimlachende negerin met vier schattige kroeskopjes en een buggy. Ik word er een beetje weemoedig en triest van. Want ik ben steeds minder optimistisch over het vermogen van de verschillende soorten Nederlanders elkaar te leren kennen. We leven naast elkaar en langs elkaar heen. En het enige dat we vaak gemeen hebben is een paspoort.
Als de chique onderzoeksinstituten een rapport uitbrengen over allochtonen, dan is de onderzoeksvraag meestal geformuleerd in termen van gegeneraliseerde achterstanden. De zwarte school is zo slecht omdat de kinderen er minder goed onderwijs krijgen. Allochtonen zijn digitaal achtergesteld en worden slechter betaald. Als ze al worden aangenomen. Achterstanden. Er zijn traptreden verschil tussen de blanke Nederlander en de rest en dat moet worden opgelost. Dat valt ook niet te ontkennen.
Maar dat is niet wat mij dwarszit. Als Nederlanders ergens goed in zijn, dan is het ongelijkheden nivelleren en ik ben ervan overtuigd dat een flink deel van de onrechtvaardigheid binnen enkele generaties is opgelost. Wat me werkelijk angst inboezemt is de enorme segregatie die ik steeds meer om me heen zie. Want dikke rapporten kunnen niet verhullen dat ik, open minded blanke man van in de dertig, nauwelijks allochtonen ken, spreek, liefheb of haat. En dat mijn vrienden datzelfde patroon volgen. Ook zij wonen in een buurt waarin slechts blanke Montessori-kinderen stoepranden en autochtone caissières in de supermarkt mijn producten bliepen. Goed Nederlands sprekende mensen die een Knorr-pakje uit de schappen nemen als ze ‘buitenlands gaan koken’. Met racisme heeft dat niets te maken, integendeel. Je zou cynisch kunnen zeggen dat racisten in ieder geval nog interacteren met mensen van een andere huidskleur. Mijn echte nachtmerrie is van die van de compleet gescheiden universa, een maatschappij als een CD-winkel waar iedereen apathisch verschillende muziek op de koptelefoon uitprobeert.
Het toppunt van deze angst voor maatschappelijke steriliteit was een concert van Coldplay en de band Live. Toen op het einde van het concert zanger Edward Kowalczyk een heftig ritme inzette en 60.000 mensen allemaal hun hand in de lucht staken, viel me de metershoge gestileerde adelaar achter hem op. En de gedachte dat ik tussen die duizenden mensen geen enkele gekleurde medemens had ontwaard schokte me diep. Niet dat uit het beeld een magnifieke verwijzing naar een andere tijd te destilleren viel, dat was tragi-komisch. Maar het feit dat ik bij het verlaten van het concert tussen de duizenden mensen nog steeds geen enkele neger of Aziaat kon aanwijzen – en ik heb koortsachtig gezocht – heeft me nooit meer losgelaten.
Zwarte mensen tennissen niet en Nederlanders worden door Marokkanen voorbij gevoetbald. Inmiddels betaalt het gemiddelde museum of concertgebouw een bezoeker als hij of zij van niet-Europese afkomst is. Maar Bach en Pinter zijn alleen voor blanke mensen, zo moet ook de cultuurmarketingdeskundigen vaststellen. Houden allochtonen dan niet van cultuur? Dat is uiteraard onzin. In salsazaal Amannee in Nijmegen kan men de tegenovergestelde groepsamenstellingen fotograferen. Blanke mannen kunnen niet alleen niet salsadansen, ze proberen het al niet eens meer. Uiteraard zijn er altijd uitzonderingen en moeten we niet chargeren. Maar één blik in de concertzaal, het theater en de tennisbaan laat zien hoe waar de clichés zijn. Of misschien geworden zijn.
Deze algemene onverschilligheid, dat is volgens mij het echte multiculturele drama. Paul Scheffer epistel uit 2000 is opgevat als een pamflet tegen maatschappelijke achterstand, terwijl hij toch ook aangeeft de tragiek van de segregatie te zien:
“Voor de meeste schrijvers in Nederland is de `multiculturele samenleving’ een verschijnsel van horen zeggen, iets van een vluchtige blik in het straatbeeld. Het is geen onderdeel van hun geleefde werkelijkheid, en, naar men mag aannemen, geldt dat ook voor de meeste burgers in dit land. We leven in Nederland langs elkaar heen: ieder zijn eigen café, zijn eigen school, zijn eigen idolen, zijn eigen muziek, zijn eigen geloof, zijn eigen slager en straks zijn eigen straat of buurt. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat al die oude en nieuwe Nederlanders weinig tot niets van elkaar weten.”
De 64.000 euro-vraag is dan altijd weer: is dat erg? De één houdt van jazz, de ander van klassiek. De één woont in de binnenstad en de ander in de buitenwijken. Wat maakt het uit? Voor het Live-concert zou ik de hamvraag ook op deze manier beantwoord hebben, luchtig verwijzend naar cijfers en persoonlijke voorkeuren.
Het probleem is voor de tijd van Scheffer al aan de orde gesteld en zal de lezer ook vandaag de dag allesbehalve onbekend, misschien zelfs wel clichématig voorkomen. Wat mij verraste en somber stemde is niet dát we in een cultureel gescheiden Nederland leven, maar de mate waarin.
Segregatie in Nederland is geen kwestie van nuances of statistiek, hij is nagenoeg absoluut. Er vindt nauwelijks of geen ideeënuitwisseling plaats tussen de verschillende etnische groepen in dit land, als je een paar gesubsidieerde halfslachtige pogingen even niet meetelt. Als het multiculturele festival weer over is, gaat iedereen weer naar huis. Het internationale terrorisme, die groepen ook in Nederland uit elkaar drijft, helpt daar zeker niet bij. Wie denkt dat het bij de jeugd wel anders zal zijn, moet eens in de pauze naar een VMBO-school gaan kijken. De groepen netjes gescheiden als in een slechte Amerikaanse gevangenisfilm.
Als in een relatie mensen al jaren niet meer echt met elkaar spreken, zijn we niet verbaasd als ze uiteindelijk uit elkaar drijven en steeds minder moeite doen elkaar als round characters te zien. Maar als het gaat om onze maatschappij zijn we zo arrogant als het gaat om wat er kan gaan gebeuren. Een scherpe en onherstelbare verdeling van dit land, dat kan in het moreel superieure Nederland toch niet? Een burgeroorlog is uitgesloten, een ontwricht Nederland belachelijk. Toch had men 15 jaar geleden niet kunnen voorspellen dat de toonhoogte waarop mensen in Nederland inmiddels met elkaar spreken zo schril en humorloos zou worden. Zo onbegrepen en vol echo. Zo achteloos en agressief.
Het probleem is enorm complex, en de voorgestelde oplossingen zijn dan ook divers en meestal vaag. Balkenende gooit het op taal en gedeelde normen en waarden. Dijkstal vindt dat we moeten bediscussiëren wat we met z’n allen waardevol vinden. Verdonk roept dat allochtonen niet zo moeten zeuren. En mensen als Aboutaleb weten dat er ook een tegengeluid van moslims moet komen.
Maar waarop? Je kan pas discussiëren als er een vraagstelling op tafel ligt. Je kan pas ageren als er een plan op tafel ligt. En daarin zit de pijn. Want Nederland heeft geen idee waar het over 20 jaar wil zijn, en onze leiders – allochtonen en autochtonen – durven geen voortrekkersrol te vervullen. Het is het pragmatisme dat heerst, een subsidieregeling hier en een morele verontwaardiging daar.
Ik moet bekennen dat ik, en dat is zeldzaam, niet eens ga pretenderen de oplossing te hebben. Maar ik begin steeds meer overtuigd te raken dat we de segregatie niet serieus genoeg nemen en dat de algemene richtingloosheid van Nederland het hoofdprobleem is, niet andersom. Zoals kinderen pas ruzie maken als ze zich vervelen, niet als ze een tripje maken. We kunnen pas samen weer aan een prettig Nederland werken als we een idee hebben van onze toekomst. Willen we een kennisland zijn? Investeer dan in het onderwijs van iedereen. Wensen we veel geld uit te trekken voor een veilig Nederland? Pak dan alle onspoorde jongeren aan zonder dat je het belangrijk vindt van welke etniciteit ze zijn. Benoem dat, maar blijf er niet over zeuren, want de maatschappelijke schuldvraag draagt niet bij aan de oplossing. Willen we een land van welzijn en weinig spektakel? Denk aan de zorg en de pensioenen. Willen we de Nederlandse taal beschermen of loslaten? Pas als onze decisionmakers ons een voorproefje van de toekomst laten zien kan iedereen zijn rol bepalen. Niet in de multiculturele samenleving, want de term bestaat alleen als er problemen zijn. Maar in de samenleving die Nederland heet. Dan mogen we hopen dat de humor en het zelfgeloof terugkeren. Ik hoop van harte dat de Tweede-Kamer verkiezingen daartoe een aanzet zijn en eens wat minder gaan over de hypotheekrenteaftrek en de bureaucratie. Inderdaad, tegen beter weten in.

