Aquaduct

ACHTERGROND - De scepsis rondom het Romeinse aquaduct in Nijmegen is doorgeschoten. Archeologen betalen hier namelijk voor fouten die niet zij hebben gemaakt.

1.

In het oosten van Nijmegen ligt een oud Romeins aquaduct. De vijver, de geulen en de drie dammen zijn goed vergelijkbaar met antieke waterleidingen als die in Dorchester en Tongeren, maar er zijn weinig concrete vondsten gedaan. Hout, het materiaal waarmee de eigenlijke waterloop was gebouwd, is nu eenmaal vergankelijk en kan niet meer worden opgegraven.

Het is daarom begrijpelijk dat er een stevige discussie is losgebarsten of de vijver, geulen en dammen wel door de Romeinen zijn aangelegd. Aanvankelijk waren het sceptische burgers die vragen stelden; later kwamen daar journalisten bij; daarna gaf de Nijmeegse Rekenkamer advies; tot slot oordeelde de Nijmeegse politiek dat er geen reden was tot twijfel. De affaire interesseert me, maar niet om de vraag of er werkelijk een aquaduct is geweest. Voor zover we weten, was het er. Voor zover we weten, is de kritiek onterecht. Daarom is de scepsis zo boeiend. De Nijmeegse archeologen betalen namelijk voor fouten die niet zij hebben gemaakt.

2.

Eerst even een woord over de kritiek. De sceptici stellen dat er, alvorens te concluderen dat er een aquaduct is geweest, sprake moet zijn van concrete, positieve aanwijzingen. Zulk bewijs is echter niet te leveren: zoals gezegd is het bouwmateriaal te vergankelijk om op te graven. De onmogelijkheid iets vanuit direct bewijsmateriaal te reconstrueren geldt echter niet alleen voor het aquaduct, ze geldt voor alles uit de oude wereld. De oudheidkundige disciplines hebben nu eenmaal een smalle empirische basis.

Dat wil niet zeggen dat de oudheidkundige machteloos staat. In zijn omgang met de schaarse informatie lijkt hij meer op een detective of een medewerker van een inlichtingendienst: hij interpreteert aanwijzingen. Die interpretatie wordt gecontroleerd door enkele vuistregels: voor classici zijn er de eliminatie van bronnen en de eliminatie van manuscripten, voor historici de Everest Fallacy, de positivistische misvatting en testis unus testis nullus, terwijl archeologen wel eens spreken van absence of evidence is not evidence of absence. Deze regels worden zelden expliciet benoemd, maar de oudheidkundige wetenschappen zijn minder speculatief dan ze soms lijken.

De onderzoekers kunnen hun reconstructies bovendien toetsen door ze te vergelijken met andere reconstructies. Dat geldt bij de bestudering van oude teksten: ook al bestaat een inscriptie uit maar een paar letters, er valt door vergelijking met soortgelijke teksten vaak heel wat van te maken, zoals in dit voorbeeld. Dat geldt bij de bestudering van antieke samenlevingen: vergelijking met andere voorindustriële culturen leert dat bepaalde reconstructies waarschijnlijker zijn dan andere. En dat geldt voor de archeologie: de hypothese dat een vijver, wat geulen en drie dammen samen een aquaduct vormden, zou boterzacht zijn als we haar niet konden vergelijken met bijvoorbeeld Tongeren en als we de waterbehoefte van de legioenbasis van Nijmegen niet konden vergelijken met die van andere bases (om zo vast te stellen dat er een aquaduct geweest moet zijn omdat de capaciteit van de lokale waterbronnen te gering was). Naast empirie beschikt de oudheidkundige dus over vergelijkingen. Of, in jargontermen: naast de correspondentietheorie van de waarheid speelt de coherentietheorie een rol. Nog anders gezegd: de oudheidkunde is geen louter empirische maar tevens een rationalistische wetenschap.

Wie dus van een archeoloog of een andere oudheidkundige empirisch bewijs voor zijn reconstructie vraagt, zoals in Nijmegen gebeurde, heeft niet voldoende begrepen dat alles in de oudheidkunde draait om een gierend datagebrek en dat de vaktheorie ertoe dient om dat te omzeilen.

3.

Niemand verplicht mensen om dat te weten en ik zal geen enkele kritische burger iets kwalijk nemen. Sterker nog, ik ben blij dat er burgers en journalisten zijn die kritische vragen stellen. Er is namelijk – en nu kom ik ter zake – iets grondig verkeerd met de wijze waarop oudheidkundigen hun publiek voorlichten, en daarvoor betalen de Nijmeegse archeologen, die het zo slecht niet hebben gedaan, nu ten onrechte de rekening.

Simpel gezegd: 40% van de archeologische persberichten bevat onjuistheden die de betrokkenen hadden moeten herkennen. In Nederland is het wat minder, in landen als Griekenland en Israël is het wat meer, maar scepsis is gerechtvaardigd. Archeologen zijn ook niet de enige oudheidkundigen die overdrijven: hier is een recent voorbeeld van een onderzoeker die heus wel weet dat wat hij presenteert als ontdekking slechts een hypothese is. Een aantrekkelijke hypothese, zeker, maar ook niet meer dan dat.

Dit soort overdrijvingen illustreert de belangentegenstelling tussen enerzijds de wetenschapper en de wetenschappelijke instelling en anderzijds de wetenschap en u. De onderzoeker vergroot met een gelikt persbericht zijn kans op media-exposure, want hij werkt doorgaans voor een instelling die van hem verwacht dat hij een deel van zijn financiering zelf regelt, maar hij bereikt op de korte termijn vooral dat mensen verkeerde noties krijgen over zijn vakgebied. Op de middellange termijn worden de overdreven claims doorgeprikt, zeker nu een derde van de bevolking een hogere opleiding heeft en junkwetenschap kan beoordelen, en op de lange termijn is de wetenschap ongeloofwaardig geworden. Daarmee bent u gedupeerd.

Nijmegen heeft de pech dat de scepsis ten aanzien van de archeologie door de Venlose mikve-affaire een boost heeft gekregen, maar dat was bepaald geen noodzakelijke voorwaarde om een relletje geboren te laten worden. Archeologen en andere oudheidkundigen kampen wereldwijd al jaren met een geloofwaardigheidsprobleem. Er zijn teveel claims doorgeprikt. Het is echter niet terecht dat nu de archeologen in Nijmegen daarvoor opdraaien: hun valt weinig verwijten, behalve dat ze een beroep uitoefenen dat wordt bekritiseerd.

4.

Ik betoog dus dat het feit dat bona fide archeologen onder vuur liggen, mogelijk is geworden doordat het vakterrein als geheel ongeloofwaardig begint te worden. De archeologen moeten nu alle zeilen bijzetten om het vertrouwen te bewaren. En niet alleen de archeologen. Ik schrijf dit stukje als opmaat voor een vervolg over classici en oudhistorici.

Er is nog een tweede reden om alert te zijn: het informatieaanbod is door de opkomst van het internet zó ver vergroot dat mensen gedwongen zijn selecties aan te brengen. De wetenschap moet nu concurreren met andere kennistradities. Elke discipline moet nu tonen waarom haar informatie beter is dan andere. Dit is dan ook de strekking van het KNAW/JA-advies van twee jaar geleden: leg het wetenschappelijk proces uit. Dat advies werd overigens beslist niet voor het eerst gegeven – ik ken het zelf sinds 2006 en neem aan dat het binnen de universiteit al langer de ronde doet.

De echte vraag is daarom niet wat die geulen nou zijn of hoe oudheidkundigen omgaan met hun datatekort, maar waarom ze zich doorgaans niet adequaat uitleggen. Zouden ze wel uitleggen wat de oudheidkundige disciplines maakt tot een wetenschap, dan zou er begrip hebben bestaan voor de vergelijkingen waarmee ze de waarheid benadert. Dan zouden er geen verontruste burgers zijn geweest die de vele misschiens en waarschijnlijks uit de oudheidkundige publicaties ten onrechte hadden uitgelegd als aanwijzing dat er geen aquaduct is. En we zouden niet hebben meegemaakt dat een Rekenkamer onwetenschappelijk over wetenschappers oordeelde. Met betere wetenschapsvoorlichting zou het Nijmeegse relletje te vermijden zijn geweest.

5.

Tijdens het schrijven van dit stukje vernam ik dat de Nijmeegse gemeentearcheologen denken aan de publicatie van een boekje om alle argumenten op een rij te zetten. Ik denk dat het rendement van een goede website groter is, maar het is een goed idee.

Afbeelding: de bovenloop van het aquaduct op het terrein van Museumpark Orientalis

  1. 1

    hier is een recent voorbeeld van een onderzoeker die heus wel weet dat wat hij presenteert als ontdekking slechts een hypothese is. Een aantrekkelijke hypothese, zeker, maar ook niet meer dan dat.

    missing link?

  2. 2

    @0: “.. dat een Rekenkamer onwetenschappelijk over wetenschappers oordeelde.”
    Vanwaar die beschuldiging?
    De Rekenkamer adviseert terughoudendheid daar deze voorziening nauwelijks aannemelijk gemaakt is, met het argument hout vergaat!, zodat slechts een vermoeden resteert.
    Wat is daar onwetenschappelijk aan?

  3. 3

    Ik blijf bij mijn eerder gemaakte opmerkingen:

    1) Vergelijk de foto bij dit log nu eens met de foto van de spreng bij Loenen uit de Wiki. Ik vind ze erg veel op elkaar lijken.

    2) Geef een goede datering van de spreng bij Nijmegen.

    Stuwwal sprengen zijn anders dan de opgeworpen wal bij Tongeren. Geef dus een duidelijk profiel van de sprenkbeek bij Nijmegen en laat zien of er bij Nijmegen een opgeworpen wal bestaat. Dat zou de beek anders maken dan een Veluwse spreng.

    En @Jona, ik vind dat je wel erg veel naar Livius verwijst.
    Dat is je eigen productie. WC-eend ligt op de loer.
    Een onafhankelijke bron zou aardig zijn.
    /serieus

    En verder is het natuurlijk altijd aardig om aan te tonen dat je bij een zielige beroepsgroep hoort. Zielig is in, in NL. Altijd al zo geweest. Zielig is lijden. En lijden is goed katholiek. Als je zielig bent kom je in de hemel. Ja ik snap die archeologen wel.
    /offtopicgezeik

  4. 4

    Nabij Nijmegen is een Romeins aquaduct blootgelegd. Het aquaduct was zo gaaf dat de Romeinen op de archeologen begonnen te schieten. – vrij naar Hans Dorrestijn-

  5. 5

    @0

    Het is niet helemaal eerlijk om te zeggen dat de rekenkamer heeft gesteld dat er geen aquaduct is geweest. Wat de rekenkamer heeft gedaan is onderzoeken of het aanwezige bewijs genoeg is om de gemeenten Nijmegen en Groesbeek geld uit te laten geven aan creeeren van een toersitische attractie rondom het aquaduct. De rekenkamer zegt niet dat de archeologen lopen te liegen, de rekenkamer zegt dat voor er bakken met geld worden uitgegeven er eerst meer bewijs moet komen, want je verhaal over archeologische methoden is niet compleet als je er niet bij vermeld dat de “smalle empirische basis” van de archeologie leidt tot heel wat false positives. Met het tegenkomen van false positives is niets mis bij gebrek aan betere methoden, maar er is wel iets mis wanneer een gemeente geld uitgeeft om toeristen naar een false positive te lokken (niet in de laatste plaats omdat er zoveel van die plaatsen zijn dat een gemeente een hogere bewijslast moet hanteren voor een investering in een toeristische attractie dan een archeoloog hoeft te hanteren om een theorie te vormen die geen of zeer weinig geld kost).

    De rekenkamer heeft gelijk wanneer ze zeggen dat de kans groter dan 50% is dat het een false positive betreft en de gemeente daarom terughoudend moet zijn met geld voor een toeristische attractie, de archeologen hebben gelijk wanneer ze zeggen dat ze veel plaatsen die waarschijnlijk false positives zijn moeten onderzoeken om af en toe iets concreets te vinden, de twee standpunten zijn niet tegenstrijdig.

  6. 6

    De vraag is toch of er vervolgens een miljoen of wat tegen een (re)constructie aan gegooid moet worden? Of er een publiekrechtelijke beperking over het volle traject moet lopen?

    Het zou een mooi Limesproject zijn om dit met de bewoners op te pakken. Hoe gaan we dit verhaal een plek geven bij de inrichting van onze openbare (en blijkbaar particuliere) ruimte?
    Ik zou er de tanden wel in willen zetten.

  7. 7

    Mooie overweging Jona. Ik verbaasde me er over dat een organisatiedeskundige de wetenschappers ging vertellen dat ze niet volgens Popper werkte, maar daarmee volledig eraan voorbij gaat dat heel veel wetenschap zaken alleen meer of minder aannemelijk kan maken. We kunnen niet falsificeren dat mammoeten zijn uitgestorven, maar het is wel aannemelijk.

    Qwerty 3: een groot verschil tussen de Nijmeegse dalen en de Spreng is dat er bij de eerste spraken is van vrijwel rechte verlopen en met vrijwel hoekige afbuigingen. Dat zijn patronen die hoogst onwaarschijnlijk natuurlijk tot stand kunnen zijn gekomen, het zijn in ieder geval geen smeltwaterdalen die op stuwwallen voorkomen.

  8. 9

    @frankw: een groot verschil tussen de Nijmeegse dalen en de Spreng is dat er bij de eerste spraken is van vrijwel rechte verlopen en met vrijwel hoekige afbuigingen. Dat zijn patronen die hoogst onwaarschijnlijk natuurlijk tot stand kunnen zijn gekomen, het zijn in ieder geval geen smeltwaterdalen die op stuwwallen voorkomen.

    Je mist de truc van de Veluwse sprengbeken voor de volle 100%: dat zijn gegraven beken en de bronnen zijn meestal ook gegraven waarbij het freatisch vlak wordt aangesneden. Ook deze beken zijn recht en hebben hoekige afbuigingen, zie bv. figuur.

  9. 10

    De regio zag een gouden kans: YES, WE HEBBEN EEN NIEUWE TOERISTISCHE ATTRACTIE!! En hebben dat enorm zitten opblazen. Daar ligt m.i. de grootste schuld.

  10. 12

    Zoals bij de vorige post hierover ook al zei: een aquaduct heeft nauwelijks toeristische waarde, het is immers weg, afgezien van wat anderszins onverklaarbare landschapskenmerken is er niks te zien. Het gebied is echter prachtig en leent zich bij uitstek om zelf eens te gaan kijken hoe waarschijnlijk het is dat er een aquaduct is geweest en welke keuzes de Romeinen destijds gemaakt hebben. Mijns inziens kun je aan eventuele onzekerheid en twijfel veel beter een toeristisch dingetje ophangen dan aan het aquaduct zelf. Omarm de twijfel zou ik zeggen.

    Hoewel, twijfel.. gezien de behoorlijk lange sliert onder keurig afschot liggende grotendeels kunstmatige landschapskenmerken is iedere andere verklaring dan een aquaduct waarschijnlijk significant verder gezocht.

  11. 13

    @0: Beste Jona, als auteur van de aangehaalde aquaduct-verhalen (èn van de mikwe-verhalen) reageer ik toch even. Je mist in je – overigens interessante – artikel volgens mij het centrale punt.
    Het gaat er – in de artikelen – niet om òf er een aquaduct was. Het kan, het kan ook van niet, ik weet het niet en ik heb er in de verhalen ook geen uitspraken over gedaan.
    De kern is dat Nijmegen en Groesbeek veel geld uitgeven op basis van een onbewezen hypothese, die ze voor dat doel oppimpen tot een vaststaand feit. Dáár zijn vraagtekens bij geplaatst, door burger Hans Schraven, door mij, en door de Nijmeegse Rekenkamer.
    Daar komt bij dat het onderzoek van archeoloog Schut gewoon rammelt. Eén voorbeeld (niet vermeld in de artikelen): hij doet een experiment met twee zelfgetimmerde plankjes-met-scharnier en een schep om te zien onder welke hellingshoek de aarde ter plekke gaat schuiven, en trekt vervolgens conclusies over hoe breed de voet van de wal van het aquaduct geweest kan zijn. Sorry hoor.. alsof je tweeduizend jaar later op die manier kan vaststellen hoe de bodemsamenstelling ten tijde van de Romeinen is geweest.
    Schut’s onderzoek is boterzacht, maar dient wèl als enige “bewijs”. Géén second opinion, géén nader onderzoek.
    M.i. is het onderliggende probleem bij zowel het aquaduct als het mikwe de vercommercialisering van de archeologie: er moeten targets worden gehaald om de geldstroom of subsidies zeker te stellen. Een dure opgraving met ‘negatief’ resultaat staat slecht op het cv en leidt niet tot nieuwe opdrachten. Al helemaal niet in een klein, gesloten ons-kent-ons-wereldje.
    Daarbij: het gebrek aan toetsing en second opinion, de monopolie-positie dus van archeologen, archeologische bureaus en van de RCE. In geen enkele andere tak van wetenschap is het denkbaar dat de eerste bevindingen als waarheid worden gepresenteerd.
    Die mechanismen zijn terecht aan de kaak gesteld.
    Overigens, laat ik het expliciet vermelden: waar in Venlo (mikwe) sprake was van wetenschappelijke fraude, ontbreekt in Nijmegen daarvoor elke aanwijzing. In die zin zijn de zaken onvergelijkbaar.

  12. 14

    De situatie blijft natuurlijk dat archeologie als wetenschap gebaseerd is op verwachtingen en hypothesen. Dat is natuurlijk prettig & logisch. Dat mag je verwachten van een wetenschap. Daarnaast: Liever een IKAW dan heel Nederland opgraven om de waarden vast te stellen (en tegelijkertijd te vernietigen).

    Het lastige is dat deze zuiver wetenschappelijke aanpak zijn beslag heeft gekregen in het RO-stelsel – dat was natuurlijk nooit de bedoeling. De hypothesen worden aangenomen of verworpen. Op grond daarvan wordt ingegrepen in allerlei rechten en besluiten gemeenteraden wel of geen geld te besteden aan grootschalige (re)constructies.

    Het probleem dat hier speelt, speelt in wetenschappelijk zin overal: wat was het eerste tracé van de stadsmuur van Harderwijk? Hoe heeft de herhaaldelijke verplaatsing van het stadje Wageningen nou precies plaatsgevonden? Heerlijk discussievoer op wetenschappelijk niveau voor vaklui. Die discussies worden echter niet in de Groene of op Sargasso gevoerd: ze zijn nog niet door politici, lokale journalisten, amateurs en ander stuurlui aan de wal gekaapt voor een hedendaags vraagstuk.
    Problematischer wordt het natuurlijk als de uitkomst van de discussie antwoord moet geven op de vraag wat er vervolgens in de echte wereld mee moet gebeuren.

    Daarnaast: als we niet eens zeker weten of er een aquaduct liep: hoe gaan we dan reconstrueren? Wat we dan maken is een hedendaagse interpretatie van de historische situatie ter plaatse, gebaseerd op vergelijkbare plaatsen elders.
    In de monumentenzorg is het motto toch vaak: op basis van hard bewijsmateriaal reconstrueer je. Als dat materiaal er niet is, dan liever geen historie faken, maar een eigentijdse laag toevoegen. Ik weet eigenlijk niet of de archeologie een dergelijk uitgangspunt hanteert.

  13. 15

    De situatie blijft natuurlijk dat archeologie als wetenschap gebaseerd is op verwachtingen en hypothesen. …

    Ik dacht dat archeologie was gebaseerd op vondsten in de grond.

    De verwachtingen en hypothesen wijzen je alleen de plek waar je gaat graven.

  14. 16

    @6 mbmb: “Of er een publiekrechtelijke beperking over het volle traject moet lopen?”

    Die loopt er dan ook niet. Het zijn enkele stukken uit het tracé.

    @13 Sjors: “hij doet een experiment met twee zelfgetimmerde plankjes-met-scharnier en een schep om te zien onder welke hellingshoek de aarde ter plekke gaat schuiven, en trekt vervolgens conclusies over hoe breed de voet van de wal van het aquaduct geweest kan zijn. Sorry hoor.. alsof je tweeduizend jaar later op die manier kan vaststellen hoe de bodemsamenstelling ten tijde van de Romeinen is geweest.”

    Eh, ja, dat kan dus gewoon en grondmechanici doen niet anders. Het mechanische gedrag van de grond kan heel goed worden geschat door zo’n soort proef en aangezien er niet zo gauw grote lithologische veranderingen in zo’n pakket optreden (tenzij het grootschalig vergraven is, en dat zie je echt wel!) heeft Schut hier iets bijzonder slims gedaan. Sediment kan nog wel vele malen ouder zijn. Voorbeeldje: met behulp van studie van de kleilagen in de stuwwallen van de Veluwe is ooit berekend hoe dik het landijs aldaar een paar honderdduizend jaar geleden was. Klopte uitstekend met berekeningen op basis van andere data.

    @ “Een dure opgraving met ‘negatief’ resultaat staat slecht op het cv en leidt niet tot nieuwe opdrachten. Al helemaal niet in een klein, gesloten ons-kent-ons-wereldje.
    Daarbij: het gebrek aan toetsing en second opinion, de monopolie-positie dus van archeologen, archeologische bureaus en van de RCE.”

    Ik ken geen enkele archeoloog die afzonderlijke opgravingen op zijn CV heeft staan, dat worden er namelijk al snel teveel, laat staan met resultaten erbij. Of een opgraving een ‘negatief’ resultaat heeft opgeleverd, maakt in mijn beroepsgroep geen lor uit. Een negatief resultaat is namelijk ook een resultaat.

    En er bestaat al helemaal geen verband tussen het krijgen van opdrachten en het uitgevoerd hebben van opgravingen met een negatief resultaat. Als dat al zou bestaan, dan ligt een omgekeerd verband eerder voor de hand. De meeste opdrachtgevers van archeologisch onderzoek zijn namelijk projectontwikkelaars, die eigenlijk liever niet hebben dat er iets gevonden wordt…

    Gebrek aan toetsing? Ik breng zelf aan de lopende band second opinions uit en bij andere bedrijven gebeurt hetzelfde. Schuts onderzoek is inmiddels door ten minste twee kleine veldonderzoeken vervolgd, helaas nog zonder beslissend resultaat, en als het zo door gaat, zou er nog best wel meer kunnen volgen.

    En ja, archeologen hebben het monopolie op archeologisch onderzoek. Net zoals loodgieters dat hebben op loodgieten en metselaars op metselen. Maar om dat nou aan te kaarten als misstand?

  15. 17

    @16: Ik ken één vervolgonderzoek: naar de resten van een (vermeende) nabijgelegen Vestaalse tempel. Resultaat: niets gevonden.
    Welk tweede vervolgonderzoek is er (geweest)?

    En (commerciële) archeologische bureaus alsmede RCE hebben wel degelijk een belang bij een ‘positief’ resultaat, iets wat aantoonbaar een grote rol speelde in de mikwe-affaire.
    Overheden willen ook niks liever dan een spectaculaire archeologische vondst. Op zich heel begrijpelijk. Het wordt pas problematisch als onbewezen ‘spectaculaire vondsten’ worden uitgeroepen tot ‘vaststaande’ spectaculaire vondsten. Zoals het aquaduct. Ik blijf erbij: volkomen terecht dat dit mechanisme inzichtelijk wordt gemaakt.

  16. 18

    “17 Sjors: “Welk tweede vervolgonderzoek is er (geweest)?”

    Dan moet ik weer even in ARCHIS kijken, even geduld…

    “En (commerciële) archeologische bureaus alsmede RCE hebben wel degelijk een belang bij een ‘positief’ resultaat, iets wat aantoonbaar een grote rol speelde in de mikwe-affaire.”

    Je haalt nu drie dingen door elkaar:
    1. hebben archeologen er belang bij dat er iets gevonden wordt? (antwoord: meestal niet)
    2. hebben archeologen er belang bij om iets te doen met dingen die gevonden worden? (antwoord: ja, want als je er wat mee doet, geef je het een soort van ‘terug’ aan de mensen die ervoor betalen. Dat is trouwens een ‘mechanisme’ waar archeologen al jaren heel open over zijn, daar hoeft echt niks meer inzichtelijk aan te worden gemaakt. Overigens: meestal komt het hier niet van en eindigt archeologisch onderzoek in een kartonnen doos in een depot)
    3. Als er met 2 eens iets mis gaat, betekent dat dan dat 2 per se een fout principe is? (ik zou zeggen: nee, het is fout als er wat fout mee gaat).

    “Het wordt pas problematisch als onbewezen ‘spectaculaire vondsten’ worden uitgeroepen tot ‘vaststaande’ spectaculaire vondsten. Zoals het aquaduct. Ik blijf erbij: volkomen terecht dat dit mechanisme inzichtelijk wordt gemaakt.”

    Nee, het gaat pas mis als archeologen gewone burgers in de weg gaan zitten door hun achtertuin tot Rijksmonument te verklaren, en door gemeenschapsgeld uit te geven aan ‘leuke projecten’ terwijl die burgers denken dat dat geld beter besteed kan worden, die burgers gaan zoeken naar argumenten om die monumentverklaring teniet te doen en op het idee komen om het wetenschappelijk onderzoek dat eraan ten grondslag ligt onderuit te halen. In dit geval hebben ze daarmee verkeerd gegokt: Schuts onderzoek zit gewoon degelijk in elkaar en komt tot de juiste – voorzichtige – conclusies. Met het onderzoek is niets mis, behalve dan dat je er meer van zou willen hebben.

    De vraag die veel relevanter is (en die ook gesteld wordt) is: in hoeverre rechtvaardigt de aanwezigheid van een archeologische vindplaats het uitgeven van gemeenschapsgeld? Daarin speelt onder andere de kwestie hoe zeker je zou moeten zijn van je conclusies ten aanzien van de aard van die vindplaats (daar zijn geen regels voor), maar er spelen veel meer vragen. Ik noem maar wat: willen we eigenlijk wel projecten die iets zichtbaar maken wat er in wezen niet meer is? Waarom Romeinen? Waarom geen extra kinderopvang? (ook daar zijn allemaal geen regels voor)

    Dat zijn stuk voor stuk vragen waar bestuurders en de politiek een antwoord op moeten geven (i.e. de bevolking). Daar moet je niet voor bij een archeoloog zijn, die kan alleen vertellen wat hij gevonden heeft en wat hij denkt dat het is.

  17. 19

    @18: Dat zijn stuk voor stuk vragen waar bestuurders en de politiek een antwoord op moeten geven (i.e. de bevolking). Daar moet je niet voor bij een archeoloog zijn, die kan alleen vertellen wat hij gevonden heeft en wat hij denkt dat het is.

    Kom nou toch!!

    Ga je me nu vertellen, dat archeologen niet doen aan manipulatie om hun werk veilig te stellen, de arbeidsmogelijkheden te vergroten en de continuïteit van werk te garanderen.

    Archeologen zijn net wetenschappers: ze zoeken vervolgonderzoek, geld en propageren het belang van hun metier. Kort: ze hebben belang bij elke vorm van reclame voor hun vak.

    Natuurlijk zijn ze belanghebbenden.
    Natuurlijk doen ze meer dan vertellen wat ze gevonden hebben en zeggen wat ze denken dat het is.

    En nee, dat zal niet elke individuele archeoloog doen. Maar niet elke archeoloog is wetenschapper met een vaste baan bij de universiteit. Sommigen organiseren reizen en hebben baat bij belangstelling voor de archeologie. Sommigen hebben een archeologisch themapretpark en hebben baat belangstelling voor de archeologie. En sommigen zijn betrokken bij Nijmegen en hebben belang bij Romeinen.

    Archeologie is net automatisering: je laat een project mislukken en je claimt vervolgwerk. Jongen jongens… niet te moeilijk. Alles voor de werkgelegenheid.

  18. 20

    @19 qwerty: zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten :-)

    Natuurlijk zijn er archeologen die proberen hun werk of onderzoek veilig te stellen, of die hun vak propageren. Maar 1. daar hebben we het hier helemaal niet over 2. er is bovendien helemaal niks mis mee 3. dat kan heel prima zonder meteen te ‘manipuleren’ en 4. (daar is hij weer) daar is in verband met het aquaduct geen sprake van. Iemand heeft een scriptie geschreven, daarin voorzichtige, maar goed onderbouwde conclusies getrokken en vervolgens zijn daar mensen mee aan de haal gegaan (en ook daar is in principe niks mis mee).

    Nu zijn er mensen die het met dat project niet eens zijn en die vallen – heel begrijpelijk, maar onterecht – het onderliggende wetenschappelijke onderzoek aan, terwijl ze het eigenlijk zouden moeten hebben over de vragen aan bestuurlijke kant. En daar gaan archeologen – gelukkig maar – slechts heel marginaal over.

    Laat ik het anders zeggen: stel er gebeurt vannacht een wonder en morgenochtend worden we allemaal wakker met het nieuws dat nu absoluut vaststaat dat het een aquaduct is uit de Romeinse tijd. Ik vermoed dat veel critici zich dan niet meer laten horen, want ja: dan is het zo.

    Terwijl de feitelijke correctheid van die bewering helemaal niet zo relevant is. Nog steeds is dan de vraag pertinent of je wel gemeenschapsgeld in zo’n project moet steken, of het niet anders of beter besteed kan worden, of het wel terecht is om voor zo’n aquaduct iemands halve achtertuin tot Rijksmonument te verklaren en hem anderhalve ton verlies te laten lijden op de verkoop van zijn huis. Dat zijn allemaal politieke keuzes, waar – nogmaals – archeologen wel een mening over kunnen hebben, maar als burger, niet als archeoloog.

    Overigens: ik ken een hoop rampenverhalen over archeologisch onderzoek, maar over onderzoek dat een archeoloog expres heeft laten mislukken in de hoop op meer werk, heb ik echt nog nooit gehoord (ik werk ongeveer 21 jaar in de archeologie).

  19. 21

    @20: Ik ben het echt oneens met je redenering.
    Even terug naar de kern (aquaduct-kwestie).
    1. Onderzoek Schut. Conclusie: mogelijk aquaduct. Aanbeveling: nader onderzoek.
    2. Groesbeek (en Nijmegen): er is zo goed als zeker een aquaduct. Aanbeveling: aquaduct dus promoten.
    3. Geld besteed – met aquaduct als vaststaand feit.

    Dus: géén nader onderzoek verricht. Gemeenschapsgeld (4 ton!) besteed voor promotie (had ook aan onderzoek kunnen worden besteed!). Hypothese is ineens vaststaand feit.
    Burgers protesteren. Onder hen óók (maar niet uitsluitend) burgers die huis aanzienlijk in waarde zien dalen omdat tuin op aquaduct-tracé ligt. Zij vechten validiteit tot aanwijzing als rijksmonument aan. RCE reageert: aanwijzing tot monument is valide, want voldoende onderzocht.
    Quod non (om even in Latijnse sferen te blijven).

    Ergo: de gang van zaken is gewoon krom. Terecht aan de kaak gesteld. Waarmee helemaal niet is gezegd dat er géén aquaduct is. Het is tot op heden echter onvoldoende aangetoond.

  20. 22

    @20: Het expres laten mislukken was ook niet helemaal wat ik zei (al kun je het idd wel zo lezen).

    Bij Digital equipment was overigens de story: what to do if you screw up? answer: you repair and you charge double.

    Anyway, ik vind het allemaal behoorlijk geleuter en ben van mening dat het pas een investering waard is als er bewezen echt iets is. Met propaganda maak je bij Nijmegen nog geen “Pont du Gard”. De sprengbeken op de Veluwe zijn interessanter.

  21. 23

    @21 Sjors: Ik moet de eerste archeoloog nog tegenkomen die zijn bevindingen niet afsluit met de suggestie nader onderzoek te doen. Dat gebeurt eigenlijk alleen niet als het niet meer mogelijk is. Maar goed.

    Schuts conclusies zijn wel iets meer dan een ‘hypothese’ die nog getest moet worden. Het bewijs tot nu toe is behoorlijk sterk, maar toegegeven: het kan inderdaad beter en ‘harder’.

    De aanwijzing tot monument (deels trouwens) lijkt me op basis van Schuts onderzoek alleszins redelijk. Er zijn in het verleden wel rijksmonumenten voor minder aangewezen. En bovendien: ook als het onverhoopt niet Romeins zou blijken te zijn, hebben we iets bijzonder bijzonders te pakken.

    Voor wat betreft het uitgeven van geld aan promotie, bijvoorbeeld in plaats van onderzoek, en het beslag leggen op de ruimte, maak ik een onderscheid. Dat staat los van de vraag of het nu wel een aquaduct is en los van de vraag of het nu wel of niet Romeins is. Ook als het een ‘hard’ bewezen Romeins aquaduct is, kun je de kritische vragen die nu spelen nog steeds stellen. Er zijn namelijk geen regels voor, dus dat is aan de politiek.

  22. 24

    @22 qwerty: aha, dat bedoelde je…

    Je zou je ook op het standpunt kunnen stellen dat het wellicht ook de investering niet waard is als wél afdoende – whatever that may be – bewezen is dat het een Romeins aquaduct is. ’t Is maar een idee :-)

    Overigens hanteren archeologen bij het waarderen van vindplaatsen andere criteria dan het wat vage ‘interessant’. Dan moet je denken aan zeldzaamheid, gaafheid, conservering, onderzoekspotentieel en ‘ensemblewaarde’, waarbij bekeken wordt of de afzonderlijke vindplaats samenhang vertoont met andere vindplaatsen (bijvoorbeeld: aquaduct – legerkamp).