Afpellen

COLUMN - Al ben je nog zulke goede vrienden, je zult niet snel in iemands kasten snorren of in diens laatjes wroeten. Na Christianes dood was dat precies wat we moesten doen. Haar huis moest worden ontruimd, en om haar spullen een ander onderdak te kunnen geven, moesten die eerst nauwgezet worden doorgevlooid.

Chris was nogal op haar privacy gesteld, zodat het als een akelige inbreuk voelde om al haar spullen uit hun gewone doen te halen. Bovenal onderstreepte onze arbeid dat Chris er écht niet meer was – anders had ze er vast iets van gezegd, toch, dat we dit zomaar deden?

Zus, broer, ex en ik – soms aangevuld met andere vrienden – scheidden samen de boedel. We zochten juwelen uit: wat had ze van wie gekregen, ter gelegenheid waarvan was die ring, die ketting? Wat was van waarde, wat een frutsel? We sorteerden honderden foto’s. We liepen schoenendozen vol correspondentie door, en maakten stapeltjes voor alle verschillende afzenders. Nadat we voor de tiende keer op een verliefde brief van een aspirant-vriendje stuitten, brak de eerste lach door: ja, Chris was inderdaad geliefd geweest, en hoe!

Naarmate we meer van Christianes bezittingen hadden gesorteerd, raakte het verband uit haar spulletjes kwijt: wat jarenlang bij elkaar was gehouden door Chris zelf, werd los zand.

Zesentwintig dozen vol Duitse boeken verhuisden naar een universiteitsbibliotheek, de Gispenstoeltjes naar haar broer, de oude secretaire naar haar zus. Voor de Chesterfield en de Auping vonden we kopers.

Het huis raakte ontmanteld. Voor het eerst vond ik het niet erg meer om er te komen opruimen: het was niet langer haar huis, maar een verzameling restanten.

We hielden een weekend lang open huis: vrienden en kennissen konden langskomen om iets ter herinnering aan Chris uit te zoeken. Iedereen kon meenemen wat ze wilden: wat overbleef, zou naar een opkoper of het grofvuil gaan.

Terwijl ik met een vriendin wachtte op de eerste gegadigden – niemand durfde vroeg te komen, uit schroom om gretig te lijken – gleed onze blik langs de uitgestalde spullen. ‘Het is net of we winkeltje spelen,’ zeiden we tegen elkaar. ‘En nu maar hopen dat er klanten komen.’

Al met al kwamen er zo’n twintig mensen. De een wilde niets meer dan twee mokken, en hield die ferm in haar hand geklemd terwijl ze een halfuur lang onthutst door het huis dwaalde. De ander wilde helemaal niks, maar stortte zich uiteindelijk op de boeken en nam dolblij twee dozen mee. Een derde zei wel twintig keer hoe verguld hij was met de ring die hij had gekregen.

Het was wrang; het was mooi.

Eergister was ik er voor de laatste keer. Het huis was gestofzuigd, schoon gemaakt en volkomen leeg. Toen ik de deur definitief achter me op slot deed, voelde dat goed.

We hebben tien weken gedaan over het afscheid van Christines huis. Iemands huis langzaam afpellen is een geruststellende vorm van rouw.

Deze column van Karin Spaink verscheen eerder deze week in Het Parool.