Het achterhoedegevecht van Etienne Vermeersch

RECENSIE - De Vlaamse filosoof Etienne Vermeersch gaf nog eens een boek uit waarom de christelijke God niet bestaat. Dat is in Europa echter een achterhoedegevecht.

Wie regelmatig een Vlaams praatprogramma bekijkt, zal de naam ongetwijfeld bekend zijn. Etienne Vermeersch (1934) geldt bij onze Zuiderburen als een van de voornaamste publieksintellectuelen. Geen discussie over de islam of Vermeersch is van de partij.

De emeritus-hoogleraar in de ethiek is tevens een van ’s lands bekendste atheïsten, moet u weten, en in Vlaanderen is dat meer dan in Nederland een ding. Mogelijk komt dat omdat Vlaanderen geen Verzuiling heeft gekend, of meer onder de invloed stond van de Franse seculariteitsgedachte: namelijk dat de publieke levenssfeer gewonnen moest worden op de katholieke Kerk.

Hoe het ook zij: de professor bracht nog maar eens een boekje uit ‘Over God’, of preciezer: over de christelijke God en waarom die wel een groteske fictie moet zijn. De hoofdmoot van het boek is een al wat ouder essay over die kwestie, dat hij schreef naar aanleiding van vragen die de professor kreeg met betrekking tot een televisieoptreden in 1992, waarin hij zich tot het atheïsme bekende met de stelling dat de christelijke God volgens hem niet kon bestaan.

Wat waren dan wel de argumenten achter die bewering, wilden veel briefschrijvers weten. Om aan dat verzoek om nadere toelichting te voldoen, schreef Vermeersch destijds een ‘kort vertoog over de god van het christendom’, dat in 1993 werd gepubliceerd, gevolgd door een ‘postscriptum’ waarin Vermeersch nader inging op de voornaamste bezwaren (met name van wat ik maar even zwadderchristenen zal noemen) en dat werd gepubliceerd op de website van de Nederlandse Stichting Skepsis.

Inhoud

Vermeersch heeft deze twee geschriften, samen net iets minder dan vijftig pagina’s, voorzien van wat hij ‘prolegomena’ (wat vooraf gezegd moet worden) noemt en een nawoord. Dat levert tezamen dan een fluks, vlot geschreven en helder werkje op over de vraag waarom de christelijke godsleer rationeel geen steek houdt.

Kort en goed: de wereld is onrechtvaardig en vol lijden en dat strookt allerminst met de voorstelling die christenen hebben van een algoede, almachtige en alwetende God.

Daarnaast biedt de bijbel de weerslag van een antieke moraliteit, van mensen die geen probleem zagen in genocide, slavernij of eeuwige hellestraffen. Niet bepaald materiaal dat je zou verwachten in een openbaring van een Algoede God.

Bovendien maakt de geschiedenis van het christendom duidelijk dat die openbaring christenen ook allerminst deugdzaam maakt. En de waarden in de Bijbel die wel positief te waarderen vallen, kan men ook in andere oud-Oosterse culturen vinden. Vermeersch geeft hier treffende voorbeelden uit het oude Mesopotamië en Egypte.

Kortom, het christelijk godsbeeld is in strijd met de werkelijkheid, de bijbel kan beter naturalistisch verklaard worden, het enige excuus voor de christelijke God is dat hij een primitieve fantasiefiguur is en dus niet werkelijk bestaat, en voor de moraal hebben we de bijbel ook al niet nodig – integendeel, zou Vermeersch zeggen.

In het postscriptum kraakt Vermeersch dan de veelgehoorde respons van weldenkende christenen, theologen en apologeten. Die hinken steevast op twee benen, zo meent hij. Men past het godsbeeld een beetje hier en een beetje daar aan om uit de problemen te geraken, schijnbaar zonder te realiseren dat men daarmee het christelijke godsbeeld van zeventien eeuwen verlaat.

Of men leest de bijbel literair-historisch en wetenschappelijk, daarbij uitziftend wat niet historisch zo gebeurd kan zijn en wat niet langer met onze huidige moraal strookt, zonder te beseffen dat men daarmee het begrip Godsopenbaring uitholt. Moderne, weldenkende gelovigen willen zo van twee walletjes eten, al naar gelang het uitkomt, aldus Vermeersch, die weinig geduld heeft met de geborneerdheid waarmee men die portie bluf verhult.

So what?

Een en ander roept natuurlijk wel de vraag op wat de noodzaak van dit werk is. Vermeersch verwijst in zijn woord vooraf wel naar de levendige neo-atheïstische polemieken van Richard Dawkins, Christopher Hitchens, Sam Harris en anderen, maar die vinden toch vooral hun actualiteit in een Amerikaanse setting, waar evangelische fundamentalisten sinds de jaren zeventig gestaag werken aan een systematische campagne om de publieke levenssfeer weer onder het gezag van Gods Woord en haar vertegenwoordigers te brengen.

In de Lage Landen is daar geen sprake van, afgezien van wat reformatorische dorpjes in de Bible Belt, waar de halve kerkenraad nogal eens tevens de halve gemeenteraad uitmaakt. Voor het overige zijn de kerken hier stervende en zitten christenen politiek in het defensief. Belangrijker nog: dat beseffen ze zelf ook maar al te goed. Zodra een gristenhond zijn moraal aan de rest van de samenleving tracht op te leggen, hoeft men maar stevig te blaffen, en zo’n Jezusfikkie rent met de staart tussen de benen terug zijn kot in.

Dus wat is nu precies het belang van dit boek? Alles goed en aardig, zo’n vakbekwame filering van het christendom, maar de argumenten zijn lang en breed bekend en afgezien van theologen, apologeten en particuliere gelovigen die rationaliteit hoog in het persoonlijk vaandel hebben staan, zal het vrees ik weinigen kunnen boeien.

Een gesprek over dit boek is met de doorsnee Nederlander dan ook al snel afgelopen, stel ik me zo voor:

– ‘Heb je ’t al gehoord? Een Vlaamse prof heeft de godsleer van het christendom weerlegd!’

– ‘Lekker belangrijk. Ik geloofde toch al niet en met de kerk heb ik al helemaal niks!’

Dan zijn er natuurlijk nog degenen die – tegen beter weten in, of zo u wilt: tegen de klippen op – blijven vasthouden aan het christelijk geloof.

Aangezien alle argumenten die Vermeersch formuleert reeds lang en breed bekend zijn, ligt het niet erg voor de hand dat hij velen van hen zal overtuigen. Door toedoen van René van Woudenberg huist tegenwoordig een nest apologeten aan de filosofie-afdeling van de VU; welnu, die zullen zich ongetwijfeld cognitief uitgedaagd voelen door Vermeersch’ kloeke pen, maar de doorsnee gelovige in de kerkbank is volstrekt onbevattelijk gebleken voor het type rationeel vertoog dat Vermeersch hier opzet.

Het existentiële gezichtspunt

Wat dat betreft toont Vermeersch zich in dit boek een representant van een voorbije era: die van het modernisme, het tijdperk van de rationaliteit. Punt is alleen: de mens is ten diepste niet rationeel. De mens gebruikt rationaliteit instrumenteel, zo is hij ook geëvolueerd. Zorg nummer één voor de mens is niet de waarheidsvraag, maar zijn welbevinden, inclusief zijn existentiële welbevinden.

Ergens lijkt Vermeersch dat ook wel te beseffen. Hij besteedt een heel hoofdstuk van zijn prolegomena aan het verschijnsel van cognitieve dissonantie om te verklaren waarom allerlei mensen tegen beter weten in blijven vasthouden aan het geloof. En op pagina 67/68 schrijft hij met liefde over pater Emile de Strycker jr., met wie hij intense geloofsgesprekken voerde, en die weliswaar op de hoogte was van alle kritiek op bijbel en christendom, maar toch op existentiële gronden vast bleef houden aan het geloof.

Dat moet men respecteren, meent Vermeersch, al wijst hij die weg even resoluut van de hand. Gelovigen zijn niet dom of gek, schrijft hij elders in het boek. Het is hem om ideeënkritiek te doen, niet om oprechte gelovigen te beschimpen.

Het is ergens jammer dat Vermeersch in die ideeënkritiek blijft hangen. Een interessanter vertrekpunt van een boek over godsgeloof zou de vraag zijn, wat nu maakt dat de mens überhaupt behoefte heeft aan existentiële zekerheid, hoe het toch komt dat godsgeloof daar voor het overgrote deel van de mensheid zo’n voorname rol in speelt, en in hoeverre zulk godsgeloof tekort schiet in het bieden van dergelijke zekerheden.

Rationaliteit is dan slechts één aspect onder meerdere, en zo is het ook in een mensenleven. Door de scopus van het boek dusdanig te verbreden, zou de relevantie ook binnen een post-christelijke, Europese setting vermoedelijk ook groter zijn geweest.

Nu blijft het toch een beetje bij een achterhoedegevecht.

– Etienne Vermeersch, Over God, Uitgeverij Vrijdag, 2016, 144 pagina’s, €16,90

  1. 2

    @1

    Natuurlijk heeft iedereen wat belangrijkers te doen dan de laatste christen fileren. Toch intrigeert het mij ook wat iemand er toe brengt om het christelijke geloof aan te hangen. Dat de christelijke God niet kán bestaan, die discussie hebben we nu wel eens gehad.

    Maar zijn die resterende, anderhalve christenen nu hardnekkige geloofsgekkies of zit er meer achter?

  2. 3

    Lol! Is dat een existentiële vraag, @1?

    Maar even in het algemeen. Ik heb ooit bedacht dat als de christelijke god zou bestaan, deze – zeker in Nederland – statistisch aan te tonen zou moeten zijn.

    Nu heb ik nergens het idee dat ik op dit vlak origineel kan zijn, dus vraag ik me af waar dit argument eerder al behandeld is. Ben wel benieuwd naar tegenwerpingen.

  3. 4

    wat nu maakt dat de mens überhaupt behoefte heeft aan existentiële zekerheid

    Als er zoiets bestaat als een vrij universele menselijke behoefte aan existentiële zekerheid, waarom zijn in sommige landen de mensen zo weinig religieus?

    Ik vermoed dat er eerder sprake is van een behoefte aan existentiële rechtvaardigheid.

    De definitieve dood, zo vermoed ik, is voor veel mensen beter te verkroppen dan de realisatie dat je tijdens die ene enkele kans die je hebt permanent de sigaar bent.* Zeker als zij bijvoorbeeld hun eigen kroost hebben zien creperen aan de honger/ziekte/uitbuiting/oorlogsgeweld (zoals op heel veel plekken voor heel mensen gebruikelijk was én is).

    Call it a hunch

    * En wel helemaal als de onrechtvaardigheid te alomtegenwoordig is. Een enkel dood kind trekken we meestal nog wel, maar als het om een significant percentage gaat?

    @1: Dat mag wel iets constructiever…

  4. 5

    @2: Dat de christelijke God niet kán bestaan klopt als een bus.
    Tegenwoordig bestaat onweerlegbaar tenzij bekocht met de dood maar één god en dat is Allah. Die is gewoon beter, dat merk je aan alles.

  5. 6

    @4: Interessant perspectief, de constructie van een alziende god voor existentiele rechtvaardigheid. De redenering dat je misdaden bijgehouden worden, met het oog op de historische context, kan een krachtig middel zijn om mensen op het zadel van hun geweten te houden.

    Overigens Prediker, vind ik die voorgestelde verbreding van jou niet echt zinvol. Veel beter zou zijn om daar een aparte behandeling voor te geven in een reeks van boeken. Zo kan je als academici ook nog even verder ;)

    Als laatste sidenote; Het moderne, christelijk beeld van een god is ook uitermate vervormd. Veel mensen zien hem als een persoon, die letterlijk kan spreken tot iemand. Toch zijn er veel aanwijzingen dat er veel abstracter over God gesproken kan worden. Ik ben geen theoloog, dus vergeef me wanneer ik uit de bocht schiet; maar ik weet wel dat pantheisme, process theisme, en naturalisme onderwerpen zijn waar regelmatig over gedebatteerd is binnen het Christendom. Dus ook religieuzen kennen god niet echt (of echt niet). Het is echter de politieke tak geweest van de kerk die meende deze waarheid wel in pacht te hebben en heeft dat vervolgens heftig de kop heeft ingedrukt. Er moest structuur een eensgezindheid komen, waarbij uiteindelijk Galileo de ‘barmhartige martelaar’ is geworden voor het atheisme, aangezien waarheidsbevinding, ooit de andere hoeksteen (naast dat van rechtvaardigheid) van de abrahamistische religie was.

  6. 7

    Ja, de rest van je stuk is ook nogal badinerend.

    @1 Volkomen verdiend ook. Het christendom is in Europa passé, de kerken zijn getemd, gedomesticeerd en gecastreerd. Vermeersch had bijna net zo goed een filosofische boom van 144 pagina’s op kunnen zetten waarom de Griekse godsleer over Zeus een fictie behelst.

    Verder kreeg Sargasso dat boekje ter recensie aangeboden, en aangezien ik de drukproef heb gedownload en het werk heb doorgelezen, voelde ik me verplicht dan ook een recensie te leveren. Dat is nou eenmaal de impliciete verwachting.

    Het is niet eens dat ik het een slecht boek vind. Alleen is het minstens een halve eeuw te laat gekomen. Niet enkel omdat de kerken gestaag leeglopen en de verwarming enkel nog blijft branden op grond van al die legaten van de kerkgangers die op dit moment van pure ouderdom als mussen van het dak vallen, maar vooral ook omdat het tijdperk waarin dit soort argumenten brede impact hadden, al lang en breed voorbij is.

    De meeste mensen zijn niet geïnteresseerd in het type rationele argumentatie dat Vermeersch te berde brengt, of ze zijn er immuun voor. Hij zal misschien een paar tientallen mensen overtuigen, en de ongelovigen in zijn eigen atheïstische parochie zullen bij het lezen van dit brevier ongetwijfeld instemmend knikken (“Ja, uitstekend, goed gezegd! Amen! Halleluniks!”), maar voor het overige zal dit weinigen kunnen boeien en van hen afglijden als water van een eendenrug.

    Een beetje een loze exercitie dus, dit boek. Alsof iemand anno 2016 nog een keer de Enigma-code gaat zitten kraken met technologie uit de oorlogsjaren. En dan niet als edutainment voor Discovery, als historische reconstructie, maar voor het echie.

    En dat vind ik dan weer jammer. Als je dan toch een boekje over God uitgeeft, zet dan in bij een vraag die werkelijk relevant is in de maatschappij waarin je dat boekje uitgeeft. Zoals de vraag of de islamitische God bestaat. Of de vraag waarom mensen überhaupt de behoefte voelen om hun ziel en zaligheid aan een ‘God’ te verpanden en of de abrahamitische godsdiensten ook werkelijk leveren wat ze beloven.

    Dan is iemand zó intelligent, heeft iemand vele boekenkasten aan filosofie en theologie verstouwd en ook nog een goed geheugen, adequate kennis van oude talen, en dan verzuimt ‘ie gewoon de wezenlijke vragen aan de orde te stellen.

    Zonde. Echt zonde. Gemiste kans. Verspilde moeite.

  7. 8

    Het punt is altijd dat er rationele kritiek komt op het geloof. Allemaal waar en waardevol, maar daar gaat het de meeste gelovigen niet om. Geloof is bij uitstek een gevoelskwestie.

  8. 9

    Als er zoiets bestaat als een vrij universele menselijke behoefte aan existentiële zekerheid, waarom zijn in sommige landen de mensen zo weinig religieus?

    @4 Voor een antwoord op die laatste vraag zou je naar die landen moeten kijken, en dan moeten nagaan wat hen onderscheidt van landen waarin religie wel een flinke rol speelt onder de bevolking.

    De bevolkingen van de Scandinavische landen zijn bijvoorbeeld notoir areligieus en men heeft wel gesuggereerd dat dit mogelijk verband houdt met de grote mate van bestaanszekerheid die men in die landen geniet: de behoefte om dan tot God te bidden voor een gevoel van controle over het bestaan valt dan grotendeels weg, zou je kunnen redeneren.

    Maar dan nog: zelfs als je die redenering zou volgen (wat ik overigens doe, meer bestaanszekerheid leidt volgens mij tot minder religiositeit) leidt dat hooguit tot de conclusie dat een behoefte aan bestaanszekerheid de voornaamste drijfveer is van religiositeit; het leidt er niet noodzakelijk toe dat de behoefte aan existentiële zekerheid dus niet universeel is.

    Om dat te kunnen beoordelen zou je weer een andere vraag moeten stellen, namelijk: waar halen die niet-religieuze bevolkingen grosso modo hun existentiële zekerheden uit, als ze die niet bij georganiseerde religies vandaan halen? Anders gezegd: aan welke voorstellingen hangt men de zin van het/hun bestaan en de menselijke geschiedenis op?, en als het antwoord luidt: ‘Nergens aan’, dan zou de vraag blijven: hebben ze daar dan geen behoefte aan, of heeft men die behoefte wel, maar bevredigt men die op een alternatieve manier?

    Affijn, genoeg leuke ideeën om godsdienstsociologen minstens tien jaar lang mee zoet te houden.

  9. 10

    @5

    Allah is al een hele verbetering ten opzichte van de christelijke God. Allah is noch vrouwelijk noch mannelijk, noch persoonlijk noch onpersoonlijk. Je zou kunnen zeggen dat Allah een behoorlijk verbeterde versie van de christelijke God is.

  10. 12

    Deze prent geeft m.i. ook wel treffend weer waarom de postmoderne Westerse mens onbevattelijk is geworden voor rationalistische religiekritiek.

    Prima illustratie van mijn betoog.

  11. 14

    @13 Nee, ik bedoel eerder dat rationalistische religiekritiek stukloopt op postmodern, kwakwetenschappelijk pseudomysticisme enerzijds en oppervlakkig-hedonistische onverschilligheid anderzijds (en allerhande varianten op die twee polen).

  12. 15

    @10: Joh, zeg ik tog. Het is alleen jammer dat zijn profeet Mohammed de mindere van Jezus is. Misschien moeten moskeeën en islamieten ook getemd, gedomesticeerd en gecastreerd worden net zoals Prediker omschreef wat met de christenen is gebeurd.
    Er ligt dus nog een mooie taak in het verschiet voor Vermeersch.

  13. 16

    Ik ben geen theoloog, dus vergeef me wanneer ik uit de bocht schiet; maar ik weet wel dat pantheisme, process theisme, en naturalisme onderwerpen zijn waar regelmatig over gedebatteerd is binnen het Christendom.

    @6 Er mogen dan allerlei heterodoxe onderstromen zijn waarin met dergelijke ideeën geëxperimenteerd is, maar die leggen het steeds weer af tegen de belijdenissen en de orthodoxie. De meer vrijzinnige kerken lopen allemaal leeg, want die bieden geen zekerheid, enkel retorische wierook en kaarsen; het zijn juist de meer/meest orthodoxe kerken die het nog het langste uithouden.

    Hoe sektarischer de club, hoe sterker de binding. Bovendien bieden die wel zekerheden en zijn hun geloofsbrieven ook sterker: ze kunnen namelijk bogen op de traditie: kijk maar, zeggen ze, dit is het onvervalste christelijk geloof zoals dat altijd geleerd werd, en dat komt op een doorsnee mens behoorlijk plausibel over.

    Terzijde: op die claim van de orthodoxie valt wel van alles op af te dingen, omdat de vraag is of wij bepaalde terminologie wel hetzelfde verstaan als christenen in de derde eeuw, maar slechts een kritische theoloog die daarover valt; en zelf die kunnen er niet goed de vinger opleggen, omdat je dan enorm thuis moet zijn in de filosofische en semantische achtergronden van de antieke oudheid en de dogmenhistorische periode van de eerste vier eeuwen.

    Maar grosso modo zit je met een traditionele voorstelling van een algoede, almachtige en alwetende Opperwezen veel dichter tegen het klassieke christelijke Godsbeeld aan, en zoals Vermeersch opmerkt graven die moderniserende gelovigen die daar onbekommerd van afwijken allerlei theologische kuilen voor zichzelf die ze niet onder ogen willen of kunnen zien.

    Zo merkt hij over Hegel bijvoorbeeld op dat die weliswaar een proces-God voorstelde, een die meegroeide met de mensheid (en dus ook met het beschavingsniveau van de mensheid); maar dat deze filosoof tenminste zo scherpzinnig was te beseffen dat hij de klassieke theïstische godsleer daarmee verliet. Tal van ‘mindere goden’, merkt hij schamper op, slaan ook aan het knutselen, maar blijven wel net doen alsof ze nog in dezelfde soort God geloven als Ambrosius, Athanasius en Augustinus. Of ze merken zelfs niet op dat ze aan de godsleer aan het knutselen zijn geslagen.

    Bon, daar heeft Vermeersch dus terecht weinig geduld voor, dat soort ontwijkende manoeuvres, die met veel poeha, rook en spiegels, getracht worden aan het oog van de toeschouwer te onttrekken. Het is alsof je een goochelaar een illusionistische performance voorhoudt en dan verwacht dat ‘ie geïmponeerd buigt voor dit knappe staaltje werkelijke magie (want zo wordt het verkocht, alsof men daadwerkelijk het geloof heeft gered en op iets wezenlijks is gestuit – nee, het is gewoon een intellectuele goocheltruc).

    Je moet een oude, gewezen jezuïet als Vermeersch geen trucs proberen voor te houden, laat staan goochelarij voor werkelijke magie te verkopen; hij prikt daar namelijk subiet doorheen. Sorry, but no cigar…

  14. 18

    Hm. Het ding met het christelijke geloof is natuurlijk niet hoe het eruit zag toen het nog leefde, maar wie de erfgenamen zijn nu dat het dood is.

    Want het geloof is dan misschien wel dood, aan de christelijke kant dan, maar de stompzinnige neiging van de mens om irrationeel te denken en te handelen, is dat bij lange na nog niet. We hebben in dit land godbetert (ha!) nog steeds allerlei kruidenvrouwtjes, heilgenezers, instralers en weet ik niet allemaal wat. We hebben een Partij voor de Dieren en een Antroposofisch bank. Het is in feite nog steeds een groot kippenhok van semi-religieuze meningen.

  15. 20

    @18 Dat lijkt me echter allemaal geen reden om het in Europa terminale, bijna verteerde lichaam van het christendom nog eens te gaan zitten uitbenen.

    Ik zie het niet meer terugkomen; en ik bekeek onlangs een Vlaamse uitzending met Roger Scruton, die nog in de kerk orgel speelt en zich beklaagt over de teloorgang van de christelijke cultuur, die hij niet meer terug ziet komen, ze zal vergaan – en hij steekt daar een melancholische treurmelodie over op, want welk waardensysteem komt daarvoor in de plaats, en is dat dan wel bestand de samenleving bijeen te houden?

    Houellebecq spreekt het bange vermoeden uit dat nihilistisch hedonisme het gaat afleggen tegen de kracht van de spirituele overtuiging der mohammedanen, maar ik vrees eerder dat de angst voor een overname van het land ‘door de moslims’ Europa terug zal werpen naar haar meest duistere periode, en dat we een terugkeer van het fascisme zullen zien: Weimar was ook een en al decadentie en experimenteel hedonisme tussen de crises in.

    Er zijn al demagogen die openlijk voor deportatie van tientallen miljoenen moslims pleiten en daarmee wegkomen (Wilders bijvoorbeeld); je hoeft er nog slechts een bloed en bodem-mythologie en een verheerlijking van de Europese traditie en geschiedenis aan toe te voegen en je bent al bijna weer terug bij de nazi’s (nu goed, die wilden de wereld veroveren, onze huidige generatie nationalisten wil zich vooral achter de dijken terugtrekken).