Academici tegen bullshit

COLUMN - © Pinguin Books cover Bullshit jons by David GraeberIk vind dat je wijsgerige traktaten liever geen grappige titels moet geven, maar ik maak een uitzondering voor het essay On bullshit van Harry Frankfurter. Dat is inmiddels een van de bekendste Amerikaanse beschouwingen van de afgelopen decennia, en terecht. Het boekje lijkt mij verplichte kost voor iedereen die in de Westerse wereld woont en/of werkt.

De beste Nederlandse vertaling van bullshit lijkt me kletskoek (al komt bullshit natuurlijk ook wel voor in het Nederlands). In zijn essay maakt Frankfurter aldus onderscheid tussen liegen en kletskoek verkopen. Iemand die liegt, verdraait de werkelijkheid met de opzet om de ander in die verdraaide werkelijkheid te doen geloven. Een leugenaar trekt zich in die zin nog wel degelijk iets aan van de waarheid, en gaat uit van het contract dat er meestal tussen mensen is dat de spreker probeert de waarheid te zeggen en de luisteraar ervan uitgaat dat de spreker dit doet.

Iemand die kletskoek verkoopt, zegt zomaar wat: het gezegde kan waar zijn, of niet, het maakt niet uit, zoals het de spreker ook eigenlijk niet uitmaakt of de luisteraar het wel of niet gelooft. Het taalgedrag van bepaalde hedendaagse politici kan, enkele decennia na verschijnen van Frankfurters essay, uitstekend op die manier kan worden begrepen.

Beledigen

In een recente blogpost wijst de Amerikaanse taalkundige Norbert Hornstein erop dat bullshit ook steeds meer doordringt in het dagelijkse academische leven. Hornstein geeft twee voorbeelden die ook voor de Europese academicus herkenbaar zijn. In de eerste plaats de kennelijk ook in Amerika doorgedrongen ‘valorisatieparagraaf’ van onderzoeksvoorstellen, waar je net moet doen alsof je onderzoek naar de opkomst van de jambe in de 17e eeuw ook zal helpen een oplossing te vinden voor ‘honger in de wereld, kanker en afasie’, terwijl iedereen – de auteur, de beoordelaars, de commissie – ook wel weet dat zoiets er de komende paar jaar nu eenmaal niet in zit. Het andere voorbeeld betreft het soort wurgcontracten die je geacht wordt bij sommige wetenschappelijke uitgevers te tekenen waar je feitelijk verklaart dat je zelfs de ideeën in je bij hen ingeleverde artikel nooit meer ergens anders zal publiceren zonder hun toestemming. Wurgcontracten die iedereen tekent omdat ze toch niks betekenen, omdat niemand die contracten eigenlijk leest, en die uitgever ook nooit precies zal gaan uitzoeken wat je nu eigenlijk met die ideeën doet.

De antropoloog David Graeber publiceerde onlangs een boek Bullshit Jobs, dat gebaseerd is op Frankfurters essay, maar er een duidelijker empirische basis aan geeft in de economie. Graeber schat dat 50% van de westerse staathuishoudkunde drijft op bullshit jobs – banen waarvan zelfs degenen die ze hebben eigenlijk wel weten dat ze onzin zijn, omdat ze bijvoorbeeld bestaan uit het de hele dag doorrekenen van spreadsheets en deze via e-mail versturen naar anderen die er hun eigen werk aan hun eigen spreadsheets voor moeten onderbreken, als ze al niet de hele dag tijdens werktijd Facebook zitten bij te werken zonder dat iemand er schade van ondervindt.

Telemarketeers

Maar bullshit is nergens zo schadelijk als in het academisch bedrijf, want ons werk bestaat juist uit het serieus nemen van ideeën: erover discussiëren, eraan werken, elkaar desnoods erom beledigen. Of in ieder geval zou het zo moeten zijn.

In die zin is het inderdaad schokkend hoe makkelijk we ons ‘voor de goede zaak’ overgeven aan kletskoek. Ik schrijf deze zomer een aantal projectaanvragen en het is heus niet alleen de valorisatieparagraaf alleen die er gevoelig voor is. Zo moet je vrijwel altijd een heel precieze planning maken waarin je belooft dat je in juni 2020 een briljant idee zult hebben, dat je in juli 2020 opschrijft en dat dan in januari 2021 in een vooraanstaand tijdschrift verschijnt. Dat een goed onderzoeksvoorstel altijd een sprong in het duister is, dat weet iedereen, maar toch word je geacht documenten op te stellen waarin je net doet dat dit niet zo is.

Het gaat, bijvoorbeeld, zegt Graeber, om sectoren als bedrijfsrecht en telemarketing: een bedrijf heeft alleen bedrijfsjuristen en telemarketeers in dienst omdat andere bedrijven dat ook hebben. Er zou niets misgaan als er op een dag ineens helemaal geen bedrijfsjuristen of telemarketeers meer waren.

Onderlinge concurrentie

Die kletskoek is zo een plaag in de hele samenleving. Volgens Graeber bestaan de kletskoekbanen omdat er door de automatisering nu eenmaal minder werk is, maar onze werkethiek vereist dat mensen dan toch maar ‘werken’, ook al is het eigenlijk onzin wat ze doen. Daar komt dan ook nog bij dat allerlei mensen managers willen zijn, en als manager heb je nu eenmaal leidinggevenden nodig. Als e al die banen hadden, zouden de meeste mensen maar 15 uur per week werken, maar kennelijk willen we dat niet. Gaandeweg zijn we zo gewend geraakt aan de huidige situatie dat we denken dat het beter is als mensen kletskoekbanen doen dan wanneer ze niet werken.

Er komt dan ook nog bij dát die kletskoekbanen zich meer lijken voor te doen in het bedrijfsleven dan bij de overheid, en de waarde van een baan in het bedrijfsleven staat nu eenmaal buiten discussie: als zo’n baan geen waarde had, zo luidt de redenering, zou hij door onderlinge concurrentie zo worden weg gewied.

Tolerantie

Ik denk dat de wetenschap tegelijkertijd wel degelijk wordt aangetast, al is het maar doordat de kletskoekwerkers in het bedrijfsleven het vreselijk irritant vinden dat andere mensen in vrijheid zinnig werk doen ‘van hun belastingcenten’. Wie eenmaal zelf vastzit aan kletskoek wil vaak dat iedereen zoveel mogelijk tijd besteedt aan formulieren, excelsheets en almaar rondpompende e-mail – puur om wraak te nemen op hun eigen onzinnige leven.

Wat niet leuk is, moet wel echt werk zijn. Kletskoek is niet leuk. Dus kletskoek is echt werk.

Maar wij moeten dat niet pikken. Een reden om aan de wetenschap te werken is inderdaad dat je nu juist weerstand kunt bieden aan de kletskoek: je leven kunt wijden aan het serieus nemen aan het belangrijkste goed dat de mens heeft – ideeën. Graebers boek laat goed zien hoe schadelijk de kletskoek is – voor de economie, voor de levens van de mensen die hun leven aan de kletskoek moeten besteden en die per definitie zelf ook wel weten dat ze tijd van leven verliezen aan onzin – en eigenlijk kan het verzet maar uit een hoek komen: de onze. Maar dan moeten we niet zelf tolerantie ontwikkelen voor die kletskoek.

David Graeber. Bullshit Jobs. A Theory. London: Penguin Books, 2018.

Dit artikel verscheen eerder op Neerlandistiek.

  1. 3

    …al is het maar doordat de kletskoekwerkers in het bedrijfsleven het vreselijk irritant vinden dat andere mensen in vrijheid zinnig werk doen ‘van hun belastingcenten’.

    Even aanhalen. ;)

  2. 4

    waarin je belooft dat je in juni 2020 een briljant idee zult hebben

    Ja, hrm. Het is natuurlijk heel makkelijk om te roepen dat je onderzoek niet kunt sturen etc, maar zeker als je wat ervaring hebt met onderzoek, dan kun je wel enigszins inschatten hoelang iets duurt. Zeker omdat -naar mijn ervaring- 90% van al het onderzoek verschrikkelijk routine is. Verzamel data, zet iets inelkaar, kijk of het verband er is wat je verwachtte, doe een paar aanpassingen, schrijf artikel.

    Als OP nu gaat lopen roepen ‘dat het zo niet gaat’, dan ligt dat IMO voor een deel ook aan het aanpassen aan de heersende cultuur waarin alleen positieve resultaten worden gepubliceerd. Als je drie jaar loopt te denken over een analysemethode die wel werkt, dan moet je ongetwijfeld ook een hele zwik methodes hebben geprobeerd die niet werken. En dan moet je ook kunnen aangeven waarom die methodes niet werken.

    Maar toch, als ik wat van dat soort artikelen vind, dan zijn ze zonder uitzondering alleen maar positief beschreven, en worden alle dingen die niet werken niet beschreven. Omdat je daarmee de concurrentie wijzer maakt dan ze ze zijn (want academia is hypercompetitief), of omdat ‘negatieve verhalen niet scoren’. Maar alleen positieve stukken publiceren geeft ook bias. En da’s ook bekend.

    Tenslotte: Een beetje academicus heeft een stapel ideeën op de plank liggen. Een idee krijgen is namelijk niet het probleem. Kijken of iets werkt en ‘what-if-not’, daar gaat de meeste tijd inzitten.