9/11 als flitslichtherinnering – feit of fictie?

ACHTERGROND - Het is vandaag zestien jaar geleden dat twee vliegtuigen de torens van het World Trade Centre in New York binnenvlogen. Dit was het begin van een bewogen tijdperk. De gebeurtenissen van die dag hadden verstrekkende geopolitieke gevolgen. Maar ook op individueel niveau was er sprake van psychologische impact.

Wat deed u op dat moment?

Het was dinsdagmiddag. Ik had mijn dochter van de basisschool gehaald. Het was een mooie nazomerdag. We fietsten naar huis en daar zat mijn vrouw naar CNN te kijken. Ongebruikelijk op dit tijdstip. Ze had op de radio gehoord dat er een vliegtuig in New York een wolkenkrabber was binnengevlogen. CNN bracht het meteen wereldwijd in de huiskamer.
Vervolgens zagen we een tweede vliegtuig de andere toren binnenvliegen…

Ho, wacht even!
Dat schrijf ik nu, maar zag ik dat inderdaad – live – gebeuren?
Of is dit een reconstructie achteraf? Ik kan het niet meer terughalen.
Wat ik wel zeker weet: die middag moest ik naar de huisarts omdat ik een ontsteking aan mijn pols had. Op weg daarheen verbaasde het mij dat het leven op straat zo gewoon doorging.

Geen verhitte discussies, geen samenscholingen… business as usual.
De dokter schreef me vervolgens iets voor en dat was dat. Ben ik met het recept nog langs de apotheek gegaan?
Ik weet het niet meer…

Flitslichtherinnering

Ik voldoe dus niet aan de criteria die gelden voor de flitslichtherinnering, voor het eerst beschreven door de psychologen Brown en Kulik in 1977. Kenmerkend achten zij namelijk de levendige herinnering aan de omstandigheden waaronder men hoort over een ingrijpende, schokkende, emotionele en onverwachte gebeurtenis.

Zij noemden deze herinneringen zo, omdat het lijkt alsof er een foto wordt gemaakt met ieder detail dat samengaat met het vernemen van het nieuws. Het oproepen van de herinnering brengt daarmee ook alle details weer tot leven. De gebeurtenis is niet alleen onverwacht, nieuw en schokkend, maar ook zeer bedreigend, emotioneel beladen en verwarrend. Dit leidt ertoe dat permanente registratie plaatsvindt van de gebeurtenis zelf én de (hersen)activiteit die daaraan voorafging. Met name deze laatste stelling ging critici, zoals de psycholoog Ulrich Neisser, veel te ver.

Bron: https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=11786300

Toetsing van de flitslichthypothese

Hoe cynisch het ook mag klinken; de aanslagen in New York leenden zich uitstekend om de flitslichthypothese aan een deugdelijk onderzoek te onderwerpen. Verschillende psychologen maakten van de nood een deugd en daarmee dankbaar gebruik van de gelegenheid.

Jennifer M. Talarico and David C. Rubin van de Duke University in North Carolina lieten er geen gras over groeien. Zij legden studenten een dag na de aanslagen al een vragenlijst voor. Zij vroegen hoe de participanten voor het eerst gehoord hadden over de gebeurtenissen in New York, wat ze deden op dat moment en of ze in gezelschap waren van anderen. Daarnaast vroegen ze naar herinneringen aan een eerdere alledaagse gebeurtenis.

Vervolgens splitsten ze de oorspronkelijke groep in drieën. De eerste groep werd 7 dagen, de tweede 42 dagen, en de derde 224 dagen na het eerste onderzoek weer ondervraagd. Zo konden zij een schaal samenstellen waaruit bleek dat er sprake was van een afname van consistentie over tijd voor zowel de vermeende flitslichtherinnering als de alledaagse herinnering.

De mate van geëmotioneerdheid droeg evenmin bij aan de consistentie.
Ook naar lichamelijke reacties, als trillen, zweten, hartkloppingen en maagkrampen vroegen de onderzoekers. De hoogte hiervan bleek vooral te correleren met de overtuiging van de juistheid van de herinneringen. Niet met de consistentie ervan. De onderzoekers concluderen dan ook dat het vooral de levendigheid en de overtuiging van accuraatheid zijn die de flitslichtherinneringen karakteriseren:

‘The true “mystery,” then, is not why flashbulb memories are so accurate for so long, as Brown and Kulik thought, but why people are so confident for so long in the accuracy of their flashbulb memories.’

Invloed van emotie op herinnering

De psycholoog Stephen R. Schmidt van de Middle Tennessee State University liet studenten binnen één week na de aanslagen een vragenlijst invullen. Ze moesten antwoord geven op vragen die met de gebeurtenissen zelf te maken hadden, zogeheten centrale herinneringen en ze kregen vragen over perifere herinneringen voorgelegd (‘wat voor weer was het?’; ‘welke kleren had je aan?’ etc.).

Schmidt keek ook naar de invloed van emotie op de herinnering. Emotie vormt immers de hefboom van de flitslichthypothese, omdat het de ontvankelijkheid zou vergroten. Twee maanden later werd de studenten gevraagd de vragenlijst weer in te vullen. De grote vraag was in hoeverre de gebeurtenissen een ‘onuitwisbare’ indruk gemaakt hadden.

De vragen waarin de centrale informatie centraal stond, leverden nagenoeg dezelfde antwoorden op. Perifere herinneringen boden echter veel meer inconsistente antwoorden (of helemaal niets) op.
Consistentie is een belangrijk gegeven. Wie niets meer weet is gewoon iets vergeten. Maar iemand die in november meer herinneringen heeft dan in september is natuurlijk veel interessanter, want dit duidt op herinterpretatie en bewerking.

Opmerkelijk was dat de consistentie groter bleek naarmate er meer dagen tussen de aanslagen en het invullen van de eerste vragenlijst lagen. Dit wijst er op dat een hoge mate van overeenstemming pas ontstaat nadat men voor zichzelf een samenhangend verhaal heeft geconstrueerd van de gebeurtenissen door er steeds opnieuw over te vertellen.

Verschil in emotionele beleving was van invloed op de consistentie van de perifere herinneringen. De centrale herinneringen liepen voor beide groepen niet wezenlijk uiteen in september en november. De emotionele groep was echter veel inconsistenter bij de beantwoording van de vragen naar de perifere herinneringen. Hieruit blijkt dat verhoogde emotie niet noodzakelijk samengaat met betere herinneringen.

Belang persoonlijke betrokkenheid en amygdala

Drie jaar later onderzocht Elizabeth A. Phelps twee groepen die ten tijde van de aanslagen in New York verbleven. Eén groep in de omgeving van het WTC (Downtown group) en de andere op 6 à 7 kilometer afstand (Midtown group).

De Downtown group heeft – nauwelijks verrassend – over het algemeen meer levendige herinneringen aan de gebeurtenissen dan de Midtown group. De onderzoekers konden door het gebruik van MRI-scans ook vaststellen dat de amygdala bij het ophalen van die herinneringen een hogere activiteit vertoonde dan bij andere herinneringen aan de zomer van 2001.

Het is bekend dat de amygdala een rol speelt bij emoties en invloed heeft op de herinnering. Wie de gebeurtenissen van dichtbij heeft meegemaakt bewaart daar meer gedetailleerde herinneringen aan en is ook meer overtuigd van de juistheid.

In die zin ligt er aan flitslichtherinneringen niet een ander neuraal circuit ten grondslag dan aan ‘gewone’ herinneringen. Het verschil zit vooral in de levendigheid en (daardoor?) de overtuiging van de accuraatheid.

Mijlpalen

Juist bij die accuraatheid zelf zijn echter de nodige vraagtekens te plaatsen. Flitslichtherinneringen blijken uiteindelijk ook ‘slechts’ herinneringen. Dit neemt niet weg dat ze een interessant fenomeen zijn. Samen met zeer persoonlijke gebeurtenissen zoals de eerste verliefdheid, de geboorte van een kind of het verlies van een dierbare, zijn het belangrijke momenten in de persoonlijkheidsontwikkeling van een individu.

Ulrich Neisser, die in 1982 al kanttekeningen plaatste bij de flitslichthypothese, stelt dat deze herinneringen weliswaar minder de gedetailleerde snapshots zijn waar ze aanvankelijk voor werden aangezien, maar dat ze wel op te vatten zijn als mijlpalen in onze persoonlijke geschiedenis. Hij bedoelt daarmee dat in het flitslicht twee vertellingen die meestal gescheiden blijven, de loop van de wereldgeschiedenis én de loop van ons eigen leven, tijdelijk op één lijn komen.

Daarin ligt het unieke karakter van de flitslichtherinnering: het individuele geheugen en het collectieve geheugen vallen samen. Iedereen weet dat er veel anderen zijn die op hetzelfde moment dezelfde ervaring hebben gehad en daarbij dezelfde emoties hebben gevoeld.
Iedereen kan daarom zeggen: ‘Ik was erbij’.

  1. 1

    Dichter bij huis: de Bijlmerramp. Daar is ook eens onderzocht hoeveel mensen zich nog de beelden van de crash konden herinneren, en dat waren er nogal wat. Terwijl die beelden niet bestaan. De vroegste beelden zijn van de brand na de ramp.

  2. 2

    @1: Maar programma’s als Aircrash Investigation hebben wel levensechte animaties daarvan gemaakt. Zou dat die mensen kunnen hebben beïnvloed?

  3. 3

    De “wat deed u op dat moment” kwestie. Nee, ik zag het ook niet ‘live’ gebeuren. Net zo min als ik de aanslag op Kennedy ‘live’ heb zien gebeuren. Maar al het opgewonden gedoe er om heen maakt dat de herinneringen worden ingeprent.

    Meestal is er met zoiets als 9/11 dagenlang opgewonden gedoe op TV en internet. Zo wordt het heel erg groot gemaakt in onze beleving. Maar laten we wel zijn, als het in een onbekend land in Azië of Afrika was gebeurd met door ons onbekende aanslagplegers, dan waren we 9/11 al lang al weer vergeten.

    Ik wil 9/11 niet bagatelliseren , maar de rokende puinhopen van WO2 maken nog steeds meer indruk op me dan 9/11. (Waarom schrijven we eigenlijk 9/11? Het is toch niet op 9 november gebeurd maar op 11/9? Nemen we de Amerikaanse wijze van datum uit drukken over?)

  4. 5

    Ik herinner me vooral dat de nieuwswebsite nu.nl een ding werd door die gebeurtenis. Ineens zaten mijn collega’s en ik eraan gekluisterd.

    Qua herinneringen: veel Amerikanen waren al snel vergeten in welk jaar 9/11 ook alweer was: https://www.washingtonpost.com/news/the-fix/wp/2016/09/11/americans-sometimes-forget-911-or-at-least-key-details/

    Vooral de man die in 2001 burgemeester van New York was: http://www.nydailynews.com/news/politics/rudy-giuliani-appears-forget-9-11-happened-article-1.2752166

    Tenslotte: kritische geluiden aangaande de echtheid van de 9/11-aanslagen zijn al te vinden op de YouTubes: https://www.youtube.com/watch?v=29RzDj0rh28

  5. 6

    @5: Interessant, dat geheugenartikel:
    “Over 90 percent of all adults remembered where they were when the attacks occurred.

    Asked what year the attacks occurred, the numbers were a bit worse. Only a bit over two-thirds of adults correctly identified the attacks as having occurred in 2001”

    Wel grappig dat van de eerste vraag voetstoots wordt aangenomen dat het antwoord klopt, terwijl bij het tweede alleen wordt uitgegaan van het antwoord 2001. Wie zegt niet dat iemand die zich 2002 herinnert, zich ook de verkeerde plek herinnert waar hij was?

  6. 7

    Ik werkte destijds bij een bedrijf waar uit hoofde van het business model (een beurshandelaar) de nieuws-TV gewoon 24/7 aan stond. Dus nee, ik heb het niet gemist.

  7. 9

    @6: Op zich durf ik wel een weddenschap aan te gaan dat mensen beter plaatsen onthouden dan data.

    Als mensen vakantie-foto’s van ongeveer 15 jaar geleden zien, weten ze waarschijnlijk eerder de plaats te noemen dan het jaartal.