In Memoriam: Patricia Crone

ACHTERGROND - Het zal eenieder die de krant een béétje leest zijn opgevallen dat er de laatste jaren nogal wat discussie is over het ontstaan van de islam. Ik heb er bij verschillende gelegenheden aandacht aan besteed: een tijdje geleden wijdde ik twee stukjes (1, 2) aan het boek van Fred Donner, ik nam een stuk over dat mijn goede vriend Richard wijdde aan een Koran-manuscript dat mogelijk ouder was dan de islam, ik schreef over het leuke boek van Piet van der Horst over het joodse koninkrijk Himyar, en ik besteedde aandacht (1, 2 ,3) aan de onlangs verschenen Mohammedbiografie van Marcel Hulspas. Kortom: er is nogal wat in beweging. En dat hebben we te danken aan de afgelopen zaterdag op zeventigjarige leeftijd overleden Deense onderzoekster Patricia Crone.

Het probleem is heel simpel. Teksten uit het verleden dienen te worden gelezen als teksten uit het verleden. Ze hebben een eigen beelden- en vormentaal. Ze veronderstellen een eigen wereldbeeld. Wie dat negeert, zal de antieke en middeleeuwse teksten gegarandeerd verkeerd begrijpen. Dit klinkt erg logisch en is dat ook, maar als het gaat om religieuze teksten is er bij sommige gelovigen een zekere aarzeling. Het is ten slotte Gods woord, moet je dat niet letterlijk nemen? Voor het onderzoek vormt deze weerstand geen bezwaar, maar het betekent wel dat er in de voorlichting soms wat weerstand moet worden weggenomen. De kritische discussie over het ontstaan van het jodendom en christendom begon in de negentiende eeuw, die over de islam is jonger. Een belangrijke tekst hierbij is het boek Hagarism van Michael Cook en Patricia Crone uit 1977.

Hagarism

Crone bestudeerde de vroege islam uit een ongebruikelijk perspectief. Aan de communis opinio dat de hadith, de tradities over de profeet Mohammed, betrekkelijk jong waren, verbond ze de conclusie dat ze beter konden worden genegeerd. Ook de Koran was volgens haar betrekkelijk jong. Dit is een te sceptisch standpunt gebleken, maar haar gebruik van niet-Arabische bronnen leidde wel tot een interessante conclusie: de twee auteurs stelden dat de islam was ontstaan als een joods-messiaanse stroming met Arabische bondgenoten.

Hoewel dit onjuist is en hoewel Cook en Crone hun these later introkken, was de blijvende winst dat in één klap duidelijk was hoe groot de joodse invloed was op de vroege islam. Mohammed mag dan geen messias zijn geweest, hij kende wel enkele joodse denkbeelden. Een ander punt van winst was dat voor eens en altijd duidelijk was hoe ontzettend veel bronnen er eigenlijk waren over de formatieve periode van de islam in het Byzantijnse Grieks, het Armeens, het Perzisch, het Aramees en het Koptisch.

Het vervolg

Vanaf 1977 was het niet langer mogelijk een wetenschappelijke biografie te schrijven van Mohammed door de standaard-islamitische traditie als basis te nemen, te ontdoen van de wonderverhalen en links en rechts wat te rationaliseren, zoals Maxime Rodinson heeft gedaan. Wel kwamen er nieuwe ideeën, waaronder evidente onzin, zoals de geweldsporno van Tom Holland (die de hadith te complex vond om zich er ver in te verdiepen) en de publicaties van de Duitse Inarah-school, die stelt dat de Koran niet in het Arabisch maar in het Aramees is geschreven (vergelijk). Het door Cook en Crone ontketende “revisionisme” is doorgeslagen en ze zijn er zelf ook van teruggekomen.

Een zinvollere benadering, die Cook en Crone uiteindelijk ook verkozen, is de kritische studie van de Koran, het “Medina-document” en de hadith, zoals ondernomen door Donner en Hulspas.

Crone zelf verdiepte zich in de aard van de oosterse oorlogsvoering (Slaves on Horses, 1980) en de handel op het Arabische Schiereiland (Meccan Trade, 1987). In dat laatste boek maakte ze korte metten met het idee dat Mekka een koopmansstad was geweest en Mohammed een handelaar. Niemand neemt dat nu nog serieus – hier leest u hoe Hulspas het uitwerkt. Van het eerste boek herinner ik me vooral dat ik het rond 1992 ademloos heb gelezen. Beide boeken kenmerken zich overigens niet alleen door het gebruik van Arabische én niet-Arabische bronnen, maar ook door kennis van het archeologische materiaal en de toepassing van etnografische parallellen.

Sjiieten

Belangrijk was ook God’s Caliph (2003), dat Crone schreef met Martin Hinds. Traditioneel wordt van het schisma van soennieten en sjiieten altijd gezegd dat het gaat om een conflict om het leiderschap: aan de ene kant stonden de soennieten, geregeerd door een kalief, en aan de andere kant de sjiieten, die vonden dat het leiderschap in handen moest zijn van een imam, het meer-dan-menselijke hoofd van de familie van Mohammed. Arabisten en islamologen hebben dit laatste vaak beschreven als een afsplitsing van de soenna, maar Hinds en Crone wezen erop dat ook de eerste kaliefen een meer-dan-menselijke status hadden. Ik herinner me dat ze vooral uitgebreid ingingen om het numismatische bewijs, waaruit blijkt dat het woord “kalief” niet “opvolger” (van Mohammed) betekent maar “plaatsbekleder” (namens God). De sjiieten zijn geen afvalligen, maar bewaren tradities die teruggaan op de alleroudste islam.

Tot Crones laatste werk behoort een studie over religieuze vernieuwingen in Iran, The Nativist Prophets of Early Islamic Iran (2012). Er waren al voor de komst van de islam allerlei vernieuwingsbewegingen onder de zoroastrianen langs de Zijderoute, met namen als “zurvanisme” en “mazdakisme”. Er waren in Iran rabbijnse en niet-rabbijnse joden en er waren allerlei soorten christendom. De vroege islam kende de charidzjieten. Deze pluriformiteit vormde het vertrekpunt Crones verdere werk.

Zeker haar vroege boeken zijn door de tijd ingehaald, maar dat neemt niet weg dat ze een van de grondleggers is van een totaal nieuw vakgebied: de Late Oudheid. Waar u vroeger leerde dat de geschiedenis werd verdeeld in Oudheid, Middeleeuwen en Nieuwe Tijd, daar is het tegenwoordig gebruikelijk het slot van de Oudheid en het begin van de Middeleeuwen samen te nemen tot één geheel, dat geen overgangsfase is, maar echt een zelfstandig tijdvak, een tijdvak dat eindeloos fascinerend is.

  1. 2

    Zeg Henk van Ingrid, toen onze dochter van zes obstinaat overal tegenin zat te zeiken was ons motto “Als je niets leuks te zeggen hebt, zeg dan liever niets”. Ik wil je graag dat motto aanreiken.

  2. 4

    @Jona, mooi stuk. Vooral de ontwikkeling in haar denken is voorbeeldig, niet bang zijn terug te komen op eerdere denkbeelden en daarmee ons hele beeld verder helpen. Dank.