‘2020: WARning’ – Patronen: Ze zijn er wel degelijk!

ANALYSE - In dit artikel licht ik een volgende ‘onderdeel’ toe van de theorie die ik in de studie ‘2020: WARning’ uitgebreid bespreek.

Dit figuur laat de ontwikkeling zien van een aantal eigenschappen van het Systeem gedurende de periode 1495-1945.

Dit figuur laat de ontwikkeling zien van een aantal eigenschappen van het Systeem gedurende de periode 1495-1945.

In het vorige artikel heb ik kort de patroonvorming in systeemoorlogen besproken. Gedurende de periode 1495-1945 heeft het Systeem vier versnellende cycli geproduceerd, elke cyclus bestaande uit een relatief lange stabiele periode, gevolgd door een relatief ‘korte’ systeemoorlog. Door middel van systeemoorlogen werd de ordening – organisatie – van het Systeem periodiek ‘ge-upgrade’. Opmerkelijk is de versnelling van de cycli (in tijd) identiek was aan de ‘versnelling’ – groei – van de ernst van de vier systeemoorlogen (‘ernst’ gedefinieerd als het aantal militaire slachtoffers door oorlogshandelingen). Deze analyse is gebaseerd op de database van J. S. Levy (War in the Modern Great Power System, 1495-1945, zie ook global4cast.org).
In dit artikel bespreek ik een aantal andere patronen die ook kunnen worden herkend in de oorlogsdynamiek van het Systeem gedurende de periode 1495-1945

Patroonvorming in niet-systeemoorlogen

Tijdens de relatief stabiele periodes van cycli produceerde het Systeem zogenoemde niet-systeemoorlogen.
Als cycli als eenheid van analyse worden gebruikt, dan blijkt sprake van patroonvorming in de dynamiek van niet-systeemoorlogen. Die patronen houden verband met de ontwikkeling van bepaalde eigenschappen van het Systeem.

Robuustheid van het Systeem

De oranje lijn (zie bovenstaand figuur) laat het aantal niet-systeemoorlogen zien tijdens de vier opeenvolgende cycli (x-as): het aantal neemt lineair af naar bijna ‘nul’ tijdens de vierde relatief stabiele periode (1918-1939). Ik beschouw het aantal niet-systeemoorlogen als een maatstaf voor wat ik noem de robuustheid van relatief stabiele periodes (opeenvolgende internationale ordes): voor de gevoeligheid van het Systeem voor ‘verstoringen’.
De frequentie van niet-systeem-oorlogen (gele lijn) neemt ook (‘bijna’) lineair af naar ongeveer ‘nul’. Ook de oorlogsfrequentie kan worden opgevat als een maatstaf voor robuustheid.

Fragiliteit

De blauwe lijn geeft de levensduur aan van de vier opeenvolgende relatief stabiele periodes: Die neemt af, met uitzondering van de tweede cyclus. Deze uitzondering blijkt een afwijking te zijn die kan worden toegeschreven aan een periode (1657-1763) waarin de oorlogsdynamiek tijdelijk was verstoord. Dat is nu echter niet relevant: het punt is dat die levensduur met een zekere regelmaat afnam (ook) naar ‘bijna’ nul (1939-1918 = 21 jaar). Ik beschouw de levensduur van een relatief stabiele periode (en cyclus) als een indicatie van de betreffende (internationale) orde om zich te handhaven in wat wel een ‘stability domain’ (vrij vertaald: evenwichtstoestand) wordt genoemd. Internationale ordes kunnen worden opgevat als stability domains. Dat vermogen nam af. Een afname van de levensduur van een relatief stabiele periode (internationale orde) betekent een toename van de fragiliteit ervan.

Organisatorische stabiliteit

Levy defineert ook nauwkeurig wanneer grootmachten hun grootmacht status verkregen en verloren (als dat aan de orde was). Voor Nederland was dat bijvoorbeeld respectievelijk 1609 en 1713. Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk verkregen die status in 1495 en bezitten die nog tot op de dag van vandaag.
Ik heb vastgesteld hoeveel statuswisselingen er per cyclus plaatsvonden (op basis van Levy); de gele lijn geeft dat aan. Niet toevallig (dat leg ik nog uit), nam de grootmacht statusdynamiek ook lineair af naar bijna nul. Ik beschouw een afname van de grootmacht statusdynamiek als een indicatie voor de toename van de organisatorische stabiliteit van het Systeem.

‘Robuust maar fragiel’

Het blijkt dus dat de robuustheid van opeenvolgende relatief stabiele periodes, hand in hand ging met een toename van de fragiliteit ervan: ‘robust yet fragile’. ‘Robuust maar fragiel’ is een begrip uit de netwerk – en ook ecosysteem – wetenschappen. Het zijn zogezegd ‘two sides of the same coin’. Het vermogen van relatief stabiele periodes om niet-systeemoorlogen te onderdrukken (energy releases te voorkomen), maakt het systeem meer fragiel. Een toename van de robuustheid komt dus met een prijs.

Samenhang

Echter, niet alleen nam tegelijkertijd de robuustheid en fragiliteit toe, maar ook nam de organisatorische stabiliteit van het Systeem (Europa) toe, met een grote ‘regelmaat’.
De toename van de organisatorische stabiliteit ging weer hand in hand met de toename van de stabiliteit van de omvang (en vorm) van staten. Gedurende de periode 1495-1945 ‘groeide’ het Systeem (Europa) van een ‘bonte’ verzameling van circa 300 nauwelijks verbonden mini ‘staatjes’, naar een ‘highly connected’ (anarchistisch) netwerk van circa 25 in hoge mate gestandaardiseerde staten. Opmerkelijk is dat die 25 staten in 1939 een fractale structuur hadden: de distributie op basis van omvang kan worden beschreven met een machtsfunctie.

Onvermijdelijke ineenstorting en fundamentele transformatie

In het vorige artikel heb ik uitgelegd dat het ‘Europese’ Internationale Systeem in 1939 ineenstortte en dat de Tweede Wereldoorlog (1939-1945, de vierde systeemoorlog) de functie vervulde van een fasetransitie.

Wat deze analyses laten zien, is dat die ‘ineenstorting’ (collapse) plaatsvond op het moment dat de robuustheid, fragiliteit, en organisatorische en fysieke stabiliteit maximaal – absoluut- waren geworden, terwijl de spanningsopbouw in het anarchistische Systeem, ook maximaal was.
Daar komt nog bij – zie voorgaande artikelen – dat op dat moment (rond 1939), de frequentie en amplitudes van systeemoorlogen ook richting ‘oneindig’ gingen, hetgeen een continue staat van oorlog – en dus collectieve zelfdestructie – zou betekenen.
In 1939 was Europa ‘uitontwikkeld’ – uitgekristalliseerd- en spanningen (energie) konden niet meer worden benut om het anarchistische Systeem verder te ontwikkelingen. Ineenstorting van dit (Europese) anarchistische Systeem was onvermijdelijk geworden.

Het anarchistische Europa had in 1939 zijn limieten bereikt (de zgn. critical connectivity threshold): een fundamentele transformatie – naar een niet-anarchistische structuur – was onvermijdelijk geworden om overleving te kunnen waarborgen.

  1. 1

    “De blauwe lijn geeft de levensduur aan van de vier opeenvolgende relatief stabiele periodes: Die neemt af, met uitzondering van de tweede cyclus.”
    Je kan dat ook anders bezien, want hij is één keer langer en twee keer korter geworden dus die ene keer is de uitzondering is erg dunnetjes. De echte uitzondering lijkt me eerder de “4e cyclus”, die duidelijk afwijkt van het gemiddelde van 120 jaar per cyclus. Je kunt je bijna afvragen of die 4e cyclus wel bestaat en niet beter te verklaren is als deel van de 3e cyclus. In zekere zin is het niet zo vreemd om 1e en 2e wereldoorlog als één systeemoorlog te zien, met een gevechtspauze van 15-20 jaar (afhankelijk van waar je de 2e laat beginnen).

  2. 2

    ” Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk verkregen die status in 1495 en bezitten die nog tot op de dag van vandaag.”

    uhm… dat denkt men in Frankrijk / VK wellicht. De rest van de wereld ziet dat toch anders.

    WO I> van stoom naar olie transitie
    WO II> ondergang van VK als wereld macht ten faveure van US

    Huidige situatie> overgang van US als wereldmacht richting andere(n) zoals China.

    Dus mijn commentaar blijft overeind en het wordt niet weggehaald met dit deel van de serie. Deze serie poogt de geschiedenis van (systeem) oorlogen als exacte wetenschap neer te zetten. Dit heeft iets fatalistisch en selectiefs.

    Zo worden er grote oorlogen genegeerd (met als argument dat het geen systeem oorlog zou zijn). Al zou je kunnen stellen dat vanaf 1495 tot nu we verschillende grote verschuivingen in de wereld hebben gezien.

    Spanjaarden, Hollanders, Britten, Fransen, VS, China, Rusland, Ottomaanse rijk. Allemaal partijen die gedurende een periode in de geschiedenis toch een nadrukkelijke stempel hebben gezet.

    Pak nog de overgang naar Stoom als energiebron, de overgang naar Olie als energiebron, en nu het afscheid van Olie als energiebron.

    Als je dat laatste doet, de energiebron beschouwen icm de beschikbaarheid en behoefte naar energie van de regerende partij/land, dan zul je daar ook aanleidingen vinden voor de oorlogen.

    Romeinse rijk viel om omdat het te groot werd. Het land bracht niet genoeg energie binnen om het te onderhouden. Expansie was de enige manier om aan de groeiende vraag te voorzien. En eeuwigdurende groei is helaas niet mogelijk> romeinse rijk viel.

    Idem aan nagenoeg alle grote samenlevingen in het verleden, of het nu gaat om de Maya, Inca, Romeinen, Grieken of wie dan ook. De rijken vielen toen de energiehuishouding in de war raakte.

    Zo ook de huidige tijdsgeest. We staan aan de vooravond van een energietransitie.

  3. 5

    De status van grootmacht die het VK (Verenigd Koninkrijk) en Frankrijk nog bezitten is (mede) gebaseerd op de studie van Levy.

    Dat je daar vraagtekens bij kunt (en moet zetten) dat lijkt mij ook. Echter, en dat is hoe het ‘powerful-become-more-powerful effect’ werkt, het VK en Frankrijk hebben hun (inmiddels achterhaalde) grootmachtstatus door middel van allerlei privileges (veto-recht in de Veiligheidsraad, ‘monopolie’ op het bezit van (legale) kernwapens, etc.) in de huidige internationale orde verankerd.
    Die echter niet meer representatief en (mede) daardoor dysfunctioneel is.

    Is het realistisch te verwachten dat het VK en Frankrijk hun privileges inleveren, terwijl het VK nu juist door middel van Brexit hun grootmachtstatus willen (her)bevestigen? Dat lijkt me niet en draagt verder bij tot de spanningsopbouw in het Systeem.

    We staan zeker aan de vooravond van een (hoogstnoodzakelijke) energietransitie, die ook niet zonder impact op machtsposities en invloedssferen zal zijn (en als is).

    Dank voor jullie reactie: @Bismarck en @Imgikke

  4. 6

    Beste Ingo,

    Er is niets mis met het modelleren van internationale conflicten, maar er zijn een aantal zaken die storend en gebrekkig zijn in je analyse die voorkomen door je poging netwerktheorie en andere concepten te gebruiken voor fenomenen die relatief infrequent en tegelijkertijd complex zijn zonder te beschrijven en beargumenteren in welke mate ze gerelateerd of zelfs relevant zijn.

    Bovendien noem je een aantal zaken die niet kloppen of niet passen bij hetgeen je poogt uit te leggen, en laten zien dat het verstandig is als je wat verder in de materie duikt alvorens ze te gebruiken:

    “Opmerkelijk is dat die 25 staten in 1939 een fractale structuur hadden: de distributie op basis van omvang kan worden beschreven met een machtsfunctie.”

    Nee, als iets beschreven kan worden met een machtsfunctie wil dit niet zeggen dat iets een fractale structuur heeft, en omgekeerd. Dat terzijde: wat wil je hiermee precies zeggen? Waarom is het relevant? Wat zijn de consequenties?

    En prima als je het “robust yet fragile” aspect van netwerktheorie wil gebruiken, maar dan mag je wel eerst een duidelijke definitie geven, om vervolgens aannemelijk te maken dat “systeemoorlogen” zoals je ze noemt onderhevig zijn aan deze complexe modellen en hoe “random failures” en “intentional attacks” die in deze context doorgaans gebruikt worden vertalen naar conflict-gerelateerde gebeurtenissen en factoren.

    “Het anarchistische Europa had in 1939 zijn limieten bereikt (de zgn. critical connectivity threshold): een fundamentele transformatie – naar een niet-anarchistische structuur – was onvermijdelijk geworden om overleving te kunnen waarborgen.”

    Hier gaan we weer. Leg eens uit. Hoe modelleer jij de wereld of Europa als een random-threshold network (want dat is de context van critical connectivity thresholds). Wat zijn de edges, nodes, edge weights, hoe zijn die gemeten en op welke manier, enzovoorts.

    Buiten dat: In welke zin had Europa in 1939 zijn limieten bereikt? En om terug te komen uit je pogingen netwerktheorie: hoe blijkt dit dan uit dat network? En waarom was een fundamentele transformatie als WOII in 1939 onvermijdelijk geworden? De oorlog zelf was niet onvermijdelijk, maar de spanningen die eraan ten grondslag lagen zouden vroeger of later toch wel voor conflicten zorgen. Deze spanningen hebben een veel complexere achtergrond dan een netwerkmodel-redux.

  5. 7

    hi Ingo,

    ik vind dat je met inbrengen van concept singulariteit mbt systemische oorlogen een fascinerende theorie opzet en je voorspelling is hopelijk falsificeerbaar op 31 dec 2020. hoe groot is je marge in de voorspelling? mogen we je proefschrift en 800 pg ! tellen epistel 2020 dan virtueel verbranden?

    ik moet eerlijk zeggen dat ik de mathematische onderbouwing van grafieken en tabellen mis, ook is er veel overlap en recycling.
    ik krijg de indruk dat je veel waarden hebt genormaliseerd en zo patronen uit te vergroten, riskant en matig onderbouwd met de formules tatistische analyses.
    de sprong van historische analyse naar 2e wet thermodynamica is al lastig voor mij maar als je dan door de term sigulariteit te gebruiken ook quantummechanica inbrengt word ik nog veel nieuwschieriger naar de onderliggende wiskunde van je grafische weergaven. de kern van de quantumfysica is juist dat het deterministische wereld instort, oorzaak en gevolg zijn niet meer duidelijk te onderscheiden.

    als je me weet te overtuigen dat je voorspelling met 99 % zekerheid uitkomt heb je dan ook een indruk van de kans dat een 2020 conflict kernwapens laat afgaan? ik krijg de indruk dat dat onvermijdelijk is voor de volgende systeemoorlog.

    Art

  6. 8

    Beste Ingo,

    Deze serie is razend interessant en brengt mij tot twee vragen:

    1. Wo1 en wo2 kunnen als één oorlog worden gezien die werd onderbroken door een 21-jarig bestand. Immers, de eerste fase werd in het oosten door Duitsland gewonnen en in het westen werd tussen uitgeputte partijen een wapenstilstand overeengekomen. De tweede fase was een hervatting door het niet afsluiten van de eerste die in de bestandsperiode met andere middelen was voortgezet.
    Accepteert jouw model een oorlog die van 1914 t/m 1945 duurde?

    2. Over de financiering van oorlogen en het enorme kapitaal op de achtergrond dat belang heeft bij oorlogen en deze initieert heb ik zo gauw niets kunnen vinden.
    Regeringen reserveren niet gedurende bijv. 20 jaar bedragen in hun jaarbegrotingen om daarna 5 jaar oorlog te kunnen voeren. De afhankelijkheid van externe financiers is dus groot. Het Rothschildkapitaal financierde de Engelse oorlogen tegen Napoleon en in het geheim ook Napoleon. Zonder dezelfde financier had Engeland wo1 niet kunnen voeren. Etc.. Het mes snijdt voor de financiers aan twee kanten, rente-inkomsten uit leningen en winsten uit belangen in de wapenindustrie. Er kan worden gesteld dat zonder hen geen langdurige oorlogen gevoerd kunnen worden.
    Hoe heb je deze invloedrijke, zelfs bepalende, factor in jouw model verwerkt?

    Mvg,

    Jim van der Heijden

  7. 10

    @8: Jim van der Heijden kakelt een oude antisemitische leugen na. De bron voor deze leugen over de Rothschilds is al door o.a. Peter de Waard in de Volkskrant van vorig jaar gedebunked. Dit is ongeveer wat ook respectabele historici zoals Niall Ferguson heeft dit allang gedebunked in zijn boeken The House of Rothschild. De mythe is afkomstig van de New York Times, editie April 1, 1915. Je kunt het artikel hier vinden:
    http://adbroere.nl/web/downloads/101757206-1.pdf
    Daarvoor werd deze mythe nergens verteld. Heel merkwaardig voor iets dat 100 jaar eerder gebeurd is. Daarna is het nog eens door Nazi-propagandist Erich Waschneck opnieuw uitgemolken in Die Rothschilds.

    What’s next: ga je de Dolkstootlegende uit het vet halen?

    Regeringen reserveren niet gedurende bijv. 20 jaar bedragen in hun jaarbegrotingen om daarna 5 jaar oorlog te kunnen voeren.

    Het verhaal dat landen twintig jaar sparen voor vif jaar oorlog is wel degelijk waar. Ertsproducerende fabrieken werden in Nazi-Duitsland al vanaf 1933 genationaliseerd ten gunste van “De nieuwe orde”. De uitgaven aan staatsondernemingen verviervoudigde alleen al van 1933 tot 1934 (Richard Overy, War and Economy in the Third Reich, Clarendon Press (Oxford University Press), 1994, p.16). Die staatsondernemingen, Reichswerke Hermann Göring was daarvan een van de grootste en bekendste, had uitgebreide divisies voor wapentuig en ertsverwerking. Op het toppunt van het nazi-rijk, in 1941, hadden ze ongeveer 500.000 man in dienst en waren daarmee de grootste onderneming van Europa van die tijd.

  8. 11

    Agressief reageren maakt niet dat je gelijk hebt Ollie! (Overigens, heeft niet onder eigen naam reageren een hoog zieligheidsgehalte.)

    Wikipedia:

    ‘Nathan Mayer Rothschild was instrumental in almost single-handedly financing the British war effort, organising the shipment of bullion to the Duke of Wellington’s armies across Europe, as well as arranging the payment of British financial subsidies to their continental allies.’

  9. 12

    Of ik wel of niet onder eigen naam reageer is mijn keuze. Overigens: je spreekt jezelf tegen. Eerst zeg je dat “Het Rothschildkapitaal financierde de Engelse oorlogen tegen Napoleon en in het geheim ook Napoleon.”
    waarna je doodleuk Wikipedia citeert dat: “Nathan Mayer Rothschild was instrumental in almost single-handedly financing the British war effort, […] as well as […] their continental allies.”
    Ik hoef je toch niet uit te leggen dat Napoleon en Arthur Wellesley geen vriendjes van elkaar waren, wel?
    En kom nu ook niet aanzetten van dat telegrafienetwerk waarmee hij een voorsprong had want ook dat argument is invalide.

  10. 14

    @10 In het artikel van Peter de Waard wordt de mythe ‘debunked’ dat Nathan Mayer Rothschild dankzij voorkennis over het verloop van Waterloo veel geld heeft kunnen verdienen op de financiële markten. Dat wat Jim van der Heijden beweert, nl dat Rothschildkapitaal de Engelse oorlogen tegen Napoleon en in het geheim ook Napoleon financierde wordt door De Waard juist bekrachtigd. Hij schrijft: “.. speculatie was niet de oorzaak van de rijkdom van het bankiershuis. Rothschild dankte die vooral aan de leningen die hij tijdens de Napoleontische tijd voor de verschillende leiders plaatste om hun oorlogsinspanningen te financieren.”

  11. 15

    Ten overvloede, de achtergrond bij mijn tweede vraag betreft niet het geloof of de afkomst van financiers maar het feit dat zij oorlogen mogelijk maken, de duur ervan bepalen en zo winstmaximalisatie bereiken. De vraag is daarom hoe deze factor in het model van Ingo Piepers is verwerkt.

  12. 16

    Ik vind ’t toch wel knap om uit 4×4 punten zulke verstrekkende conclusies te trekken. I-tjingliefhebbers gebruiken maar liefst 6×3 muntjes, en tarotliefhebbers 52 kaarten. Dit is veel efficienter!