1947: op weg naar een Joodse staat

RECENSIE - Welke feiten en onderwerpen selecteer je voor een boek dat een beeld moet geven van één jaar?

De Zweedse schrijfster en televisiejournaliste Elisabeth Åsbrink schreef een boek over het jaar 1947. Het is een jaar waarin de Koude Oorlog naar een hoogtepunt gaat. Het is ook een jaar dat in het teken staat van de wederopbouw van Europa na de Tweede Wereldoorlog. Het begin van wat we later de welvaartstaat of de verzorgingsstaat gaan noemen. Åsbrink schenkt in haar boek wel enige aandacht aan deze naoorlogse ontwikkelingen. Maar haar rode draad in het verhaal over het jaar 1947 is de aanloop naar de stichting van de staat Israël, het jaar daarop, en de hieraan voorafgaande geschiedenis van de Jodenvervolging.

Åsbrink heeft twee goede redenen om de geboorte van de Joodse staat zo centraal te stellen. De eerste is persoonlijk. Zij is het kind van een overlevende van de Holocaust. In een intermezzo halverwege het boek, dat het jaar van maand tot maand doorloopt, vertelt ze over de geschiedenis van haar Hongaarse familie. Haar vader is in 1947, nauwelijks tien jaar oud, een van de Joodse vluchtelingen die de Holocaust hebben overleefd en in opvangkampen wachten op transport naar het beloofde land. Voor het verhaal van die overlevenden was in 1947 nog weinig belangstelling. En ik denk dat het nu ook nog nieuw is voor veel mensen. Het is goed dit opnieuw onder de aandacht te brengen.

Een tweede punt, dat je het uit de ondertitel zou kunnen afleiden, is de betekenis van wat er zeventig jaar geleden gebeurde voor het heden. Het conflict tussen het westen en de communistische landen, dat in 1947 zoveel angst en onrust veroorzaakte, bestaat niet meer, ook al zijn er nieuwe spanningen voor in de plaats gekomen. De verzorgingsstaat, althans zoals velen die vlak na de oorlog voor ogen hadden, is ook ter ziele.  Maar de gevolgen van de stichting van de Joodse staat zijn na zeventig jaar nog regelmatig wereldnieuws.

Åsbrink verhaalt over de totstandkoming van Israël aan de hand van de moeizame besluitvorming over de toekomst van Palestina in een speciale VN-commissie die in 1947 een oplossing moet vinden voor de vervanging van het Britse bestuur van het gebied. De commissie, met de Zweed Emil Sandström als voorzitter, bezoekt Palestina en spreekt met alle betrokken partijen, maar komt er niet uit. Eenheidsstaat of opdeling? Aan het eind van het jaar steunt een meerderheid van de VN-lidstaten, tegen de uitdrukkelijke oppositie van Arabische zijde, het opdelingsplan.

Åsbrink volgt ook de poging van de zionisten om duizenden Joden in Palestina aan land te zetten met een Amerikaans schip, de President Warfield, later omgedoopt tot Exodus. De Britten, die met veel moeite en tegenzin het gezag proberen te handhaven in Palestina, enterden het schip voor de kust en stuurden alle opvarenden terug naar Duitsland.

De oorlog en de holocaust tekenen in Åsbrink’s geschiedenis vrijwel alles wat er dit jaar gebeurt. Duitsland is nog een puinhoop. Overal zijn ontheemde mensen, vluchtelingenkampen zitten overvol. In Neurenberg worden de processen tegen oorlogsmisdadigers voortgezet. En er lopen overal nog oude en nieuwe nazi’s rond. Dat is ook een terugkerend onderwerp in het boek van Åsbrink. Ze volgt de Zweedse fascist Per Engdahl die een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de hergroepering van fascisten na de oorlog. Daartoe hoorde ook de oprichter van IKEA Ingvar Kamprad, die Engdahl financieel heeft ondersteund, zoals Åsbrink in een eerder verschenen boek al had onthuld. In 1947 is Engdahl de spil in een nieuw netwerk van oud-nazi’s dat ook zorg draagt voor de emigratie van oorlogsmisdadigers naar Argentinië.

Indirect gelinkt aan de oorlog in Europa, maar zeker ook van belang, als je het bekijkt vanuit de hedendaagse politieke situatie in de wereld, was de opdeling van Brits Indië in India en Pakistan die in 1947 zijn beslag krijgt. De scheiding tussen hindoes en moslims is na zeventig jaar nog steeds een bron van onrust en gewelddadigheden.

Åsbrink heeft voor elke maand van het jaar 1947 een paar persoonlijke verhalen en anekdotes, al dan niet passend binnen de grote lijnen van de geschiedenis. Ze put daarvoor uit dagboeken en biografieën. Sommige figuren komen regelmatig terug, zoals de schrijvers George Orwell en Primo Levi, de componist Arnold Schönberg, de zangeres Billy Holiday, de Amerikaanse president Truman, Hassan Al-Banna, de oprichter van de Moslimbroederschap en Michael Kalashnikov die in 1947 een door Stalin uitgeschreven prijsvraag wint voor een nieuw ontwerp van een geweer. De vele stukken uit de dagboeken van Simone de Beauvoir over haar moeizame relatie met de Amerikaanse schrijver Nelson Algren kan ik niet goed plaatsen. Zo’n geschiedenis lijkt mij niet typisch voor het jaar 1947.

Elisabeth Åsbrink is journalist, geen historicus. Ze heeft een grote hoeveelheid concrete, kleine en persoonlijke geschiedenissen geselecteerd. En daar maakte ze vlot leesbare stukjes van, soms erg kort en onbeduidend (George Orwell’s kippen hebben drie eieren gelegd), soms ook breed uitweidend over het verleden of wat nog komen moet (het foute verleden van de groot-moefti van Jeruzalem of de toekomst van de neonazi’s). Beschouwen doet ze niet veel en als ze het doet is ze niet altijd even helder (haar eerste zin: ‘De tijd loopt niet helemaal zoals de bedoeling is’).

Dat dit boek niet een representatief beeld geeft van het jaar 1947 valt te billijken als we nu, na zeventig jaar, nog eens indringend worden geconfronteerd met het feit dat de oprichting van een Joodse staat vlak na de Tweede Wereldoorlog onvermijdelijk was, terwijl de wereld daarmee tegelijkertijd met een vrijwel onoplosbaar conflict werd opgezadeld. Wat Åsbrink er allemaal omheen geschreven heeft is eigenlijk van een andere orde en mist de tragiek van die geschiedenis die in 1947 een onomkeerbare wending heeft genomen en die de wereld tot op de dag van vandaag diep verdeelt. Misschien had ze, om die onevenwichtigheid te vermijden, zich volledig moeten concentreren op de geschiedenis van de Joden die de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog hebben overleefd.

Elisabeth Åsbrink, 1947. Hier begint het heden. Uitgeverij Thomas Rap, 272 blz, ISBN 9789400407435, € 19,99

  1. 1

    “Een tweede punt, dat je het uit de ondertitel zou kunnen afleiden, is de betekenis van wat er zeventig jaar geleden gebeurde voor het heden. Het conflict tussen het westen en de communistische landen, dat in 1947 zoveel angst en onrust veroorzaakte, bestaat niet meer”
    Dat het conflict tussen het westen en de communistische landen niet meer bestaat (overigens een stelling waar je makkelijk een discussie op los kunt laten), betekent niet dat de koude oorlog geen betekenis meer zou hebben voor het heden. In tegendeel, de huidige wereldverhoudingen zijn vrijwel volledig vormgegeven door die koude oorlog (en Israël en alle conflicten daaromheen zijn daar onderdeel van).

  2. 2

    @1: De Koude Oorlog heeft zeker zijn sporen nagelaten. Er zijn zelfs mensen die deze traditie graag willen voortzetten. Maar de twee monolithische blokken die in het verleden tegenover elkaar stonden bestaan niet meer. Dat betekent dat de wereld niet langer in twee kampen is verdeeld die overal met elkaar in conflict zijn. De verhoudingen zijn nu veel complexer. Juist ook in het Midden-Oosten (kijk naar NAVO-lid Turkije bv.). In die zin is het effect van de Koude Oorlog uitgewerkt.

  3. 4

    “Dat dit boek niet een representatief beeld geeft van het jaar 1947 valt te billijken als we nu, na zeventig jaar, nog eens indringend worden geconfronteerd met het feit dat de oprichting van een Joodse staat vlak na de Tweede Wereldoorlog onvermijdelijk was, terwijl de wereld daarmee tegelijkertijd met een vrijwel onoplosbaar conflict werd opgezadeld.”

    Het onoplosbare conflict tussen Joden, Christenen en Islamieten (ook nog eens onderling) in Palestina dateert al van eeuwen voor 1947 zelfs al van voor de jaartelling, kijk ook maar naar de talloze kruistochten. Tientallen ander landen zijn rond ’47 gedekoloniseerd en niet allemaal volgens precieze demografische scheidslijnen. De Joden hebben in dat geheel een miniatuur klein stukje gekregen en nog grotendeels zelf bevochten ook, vergeleken met al ander gebieden stelde het weinig voor. Was het een ander volk geweest, dan had het waarschijnlijk niet eens de geschiedenisboeken gehaald, zo wordt het gestelde grensconflict tussen India en Pakistan zo goed als nooit besproken laat staan heftig bediscussieerd terwijl het er daar niet bepaald vreedzamer aan toe gaat dan tussen Joden en Islamieten.

    Gaat het echter over de Joden dan is het altijd meteen raak, dan komen opeens uit allerlei holen “critici” hun onderbuik legen, op zijn minst nogal selectief en buiten proportie. Net al 75 jaar geleden krijgen alleen de joden overal steevast de schuld van, al verwoorden de “critici” het tegenwoordig soms wat salonfähiger dan destijds. Een trieste en uiterst verontrustende mijlpaal.

  4. 6

    @5: Zo braaf waren wij zelf ook niet hoor. In het kunstmatige Indonesië weten ze daar alles van en daar hebben wij met onze VOC mentaliteit tussen ’45 en ’49 “voor de goede zaak” ff 150.000 mensen uitgemoord. Gelukkig zijn wij beter in het wijzen met ons vingertje naar anderen.

  5. 7

    terwijl de wereld daarmee tegelijkertijd met een vrijwel onoplosbaar conflict werd opgezadeld

    Afgemeten naar het aantal doden valt dit conflict volledig in het niet bij dat tussen de sjiieten en soennieten (denk aan de eerste golfoorlog en aan de toestand in Irak na de geforceerde introductie van democratie daar).

    De wereld zit trouwens met een ander, enigszins vergelijkbaar conflict waar joden helemaal niks mee te maken hebben: de explosieve spanning tussen het democratische, kapitalistische en welvarende Zuid-Korea enerzijds en het straatarme, collectivistische en totalitaire Noord-Korea anderzijds. Om de één of andere reden zien we hier heel scherp waar de angel precies zit.

  6. 8

    @6 Hoe kom jij bij dat getal van honderdvijftigduizend, gbh?

    Volgens berekeningen van deze drie auteurs in De Groene Amsterdammer zou het gaan om minimaal 97.421 Indonesische oorlogsdoden (dat zijn burgers én strijders, dat onderscheid viel gedurende de vijandigheden lang niet altijd uit te maken – en er zijn verhalen van Nederlandse troepen die hele dorpen uitmoordden, allemaal broedplaatsen voor de vijand tenslotte; ‘onze jongens’ zullen niet zachtzinnig te werk zijn gegaan).

    Zij spreken daarbij van een ‘ondergrens’.

  7. 9

    @8: Dat was het cijfer dat ik ooit op school tijdens geschiedenis heb gehad en wat destijds ook in de media circuleerde.

    Ik had daar toen aardig wat interesse in omdat mijn opa in die jaren ook bij de KNIL zat alleen omdat mijn opa in ’40 bij de Scheveningse bosjes had gevochten en daar volgens de overlevering 50 moffen heeft omgelegd werd hij naar de west gestuurd in plaats van Indonesië omdat ze vonden dat hij al genoeg had gedaan. Later toen de haat weg was is hij daar ook niet goed op gegaan, heb er weinig opa aan gehad.

    Dat dorpen werden uitgemoord is wel wat meer dan alleen verhalen. Het was gewoon een compleet foute kolonialistische oorlog en daarbij hoef je geen onderscheid te maken tussen strijders en burgers; er is geen enkele rechtvaardiging voor elke dode.

    Door wanbeleid heeft Nederland een kunstmatig land achter gelaten met iets van 300 etnische groepen; als dat ooit uit elkaar valt wordt dat een veel groter bloedbad dan het uiteenvallen van Joegoslavië.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

| Registreren